Tuesday, August 20, 2019

“He’s got the whole wide world in His hands”

Text Size

Zien door Gods ogen- Exodus 14:31 - Jan Fluit
 
Ik wil graag met u lezen Exodus 14:31. Dat is het laatste vers van het hoofdstuk waarin het volk door de Rode Zee getrokken is, met de vijand achter hun aan. En de wateren van de Rode Zee weer teruggevloeid zijn over die vijanden. En de Israëlieten op het droge aan die overkant staan.
Dan staat er in vers 31: ‘Toen zag Israël welk een machtige daad de Heer tegen Egypte gedaan had en het volk vreesde de Here en ze geloofden in de Heer en in Mozes, Zijn knecht.’
Ja, daar kan ik me wel wat bij voorstellen. Want niet zolang daarvoor zat de vijand hun op de hielen. Die zee, waaraan ze nu aan de overkant staan, die lag toen gesloten en wel voor hun. Dus ze konden geen kant uit, dreigden vernietigd te worden. Vervolgens die wonderlijke tocht op het droge door de zee heen en nou aan de overkant. En nou moet je je voorstellen! Waar je last van gehad hebt, wat je achtervolgd heeft, dat is weg! Dat is verdwenen. Vertaal het meteen maar in geestelijke beelden. Want eerlijk is eerlijk, ik denk van dit soort verhalen wel eens: als beeld vind ik het prachtig, maar in de praktijk van het Oude Testament zijn wel erg veel mensen kapot gegaan.Wat veel moord en doodslag. Wat ben ik dan blij dat Paulus zegt dat we niet te worstelen hebben tegen bloed en vlees (Ef. 6: 12). Maar als ik het plaats als beeld: Dan ben je er mooi vanaf wat je achtervolgde! Daar heb je definitief geen last meer van.
 
Dus dat volk is buitengewoon opgetogen. Ze geloven in God. Ze geloven in Mozes. En ik merk ook dat dat gelijk opgaat. Als je gelooft in God – je kan misschien beter zeggen: als je God gelooft – dan ga je ook geloven in mensen. Als je het geloof in God en het geloof van God verliest, dan verlies je ook geloof in mensen. Hier blijkt dat ook weer. Nou, vervolgens krijg je het lied van Mozes. En daarna gaat Mirjam met de tamboerijn in haar hand voorop en  het hele volk in reidans erachteraan, want het is groot feest, of niet?
 
Nogmaals, ik kan me daar alles bij voorstellen. En tòch, toch vind ik er iets inzitten wat ik heel jammer vind. Want het is wel aan de overkant. Het is wel geloof achteraf. Waar ikzelf heel erg behoefte aan heb, wij samen denk ik, dat is een geloof vooraf. Dat hoeft niet met een tamboerijn en huppelend. Maar vooraf, zonder overdreven blijdschap, maar wèl goed met de dingen omgaan, kan dat dan? Ja, dat kan wel. Mozes zei vooraf: ‘Die vijanden die je nu ziet, die zul je nooit weerzien’. Dat zei hij, toen ze nog vóór de zee stonden! Dat is wel bijzonder hè. Dat je dat zeggen kan. Niet om al die mensen maar op hun gemak te stellen. Want dat lukte helemaal niet. Die mensen, die raakten niet op hun gemak van zijn woorden. Dat merken wij ook wel eens hè. Dat je op zich hele goede woorden spreekt, maar dat een ander dan niet op zijn gemak is. Die gelooft er niets van, van wat je zegt. Ze zeggen: ‘Dat kun jij gemakkelijk zeggen’. Dat is niet zo, want jij zit in dezelfde situatie. Alleen de ander, die doorziet niet vanuit welke vrede je spreekt.
 
Nou, Mozes bleef dat ook niet roepen: ‘Je zal ze nooit weerzien. Je zal ze nooit weerzien!’. Hij hanteerde de staf. Beeld van woord van God. Dat hanteerde hij. Toen spleet de zee en toen konden ze doorgaan. Nou denk ik: Wat was nou het geheim van Mozes? Wat voor extra inzicht had hij? Wat voor toverspreuken kende hij, dat hij die waardeloze zee eens een keer ging splijten. Ja wat voor geheim had hij? Hij had geloof. Hij kende God. Ze waren vrienden. Die twee, die kenden elkaar van aangezicht tot aangezicht (Exodus 33:11) . Ik heb ooit een keer gehoord: Liefde kijkt de ander in z’n gezicht’. Die ziet de ander, die heeft oog voor de ander. Als je de ander aankijkt vanuit liefde dan ligt daarin je hart. En dat is verder dan alleen maar zichtbaar aankijken. Mozes had geleerd om het eens te worden met zijn God, geleerd hoe God dacht. Hij had gemerkt hoe Hij hem vertrouwde, gedachten met hem deelde, daaruit groeide een groot vertrouwen in zijn God.
Het volk lette heel erg op wat gebeurde, op het zichtbare. Daardoor kon Mozes zijn vertrouwen ook niet overbrengen. Vertrouwen is een zaak van het hart. Als jij die relatie met God hebt, dan kun je tegen de ander zeggen: “Je moet vertrouwen”. Maar dat werkt niet, omdat vertrouwen niet ontstaat vanuit verplichting, maar vanuit relatie. Waarom gelooft die ander niet? Nou, die heeft honger, of dorst en die heeft geen eten en drinken. Dan kan je wel met tekst aankomen, maar daarmee heeft die ander geen eten en drinken. 
Het volk blijft op dat niveau zitten. Elke keer opnieuw. Soms zijn ze geweldig opgetogen, dan geloven ze God weer, dan geloven ze Mozes weer. En soms zijn ze zo boos ook, dat het niet gaat zoals zij verwachten. Voor hun gevoel is God weg, en krijgt Mozes de schuld. Ze willen Mozes op een gegeven moment zelfs om het leven brengen, omdat hij maar een waardeloze profeet is. Een voorbeeld: In hoofdstuk 16 vers 2, daar staat: ‘In die woestijn morde de gehele vergadering der Israëlieten tegen Mozes en Aäron; en de Israëlieten zeiden tot hen: Och, dat wij door de hand des Heren in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten; want gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen.’ Raar hè? ‘Och, dat we toch in Egyte gestorven waren’. Dan denk ik: wat is dat nou voor gedachtenwereld? Waarom haak je elke keer terug naar Egypte en krijgt Egypte een heel ander plaatje dan de realiteit was. Een uitvergrote positiviteit die er helemaal niet was! Ze waren slaven. Ze hadden te lijden onder het juk van mensen die hen elke keer achtervolgden. En toch dat terug-verlangen. Iemand zei eens een keer: “Israël was wel uit Egypte, maar Egypte was niet uit Israël.” Dat vind ik wel een heel duidelijke gedachte. Dan blijf je ergens vastzitten aan oude systemen. En dat lijkt dan opeens een redelijk alternatief, terwijl je eigenlijk weet dat dat niet zo is.  
Ik heb zelf heel erg onder het juk gezeten van verkeerde gedachten over God. En ik ben als een kind zo blij dat ik daarvan af ben en tegelijkertijd wil ik ook zeggen dat ik zo nu en dan nog merk dat er nog een aantal restanten weg moeten. Dat heeft je denken vaak zo verziekt. Wat heeft dat een sporen nagelaten bij mensen. En hoe lastig is het om daar helemaal uit te komen. Hoe kom je daar nou vanaf, van dat ellendige denken?
Hoeveel mensen hebben niet toch nog een beetje een beeld van God dat Hij straft. Hoe ellendig is het niet, dat ‘zonde’ wel het grootste goed lijkt te zijn van christenen, en dat maar blijven belijden. Iemand vroeg mij: “Nou wil ik eens definitief weten hoe jullie kunnen geloven dat je geen zondaar bent en geen zondaar blijft.” Toen heb ik gezegd: “Het is een beroep doen op wat Iemand anders voor me gedaan heeft. Als iemand anders mij belooft, dat hij een schuld waar ik niet af kan komen, voor me betalen wil. Wat is dan eigenwijs? Dat ik die belofte niet aanvaard, of dat ik ‘m wel aanvaard? Als ik ‘m aanvaard is dat niet eigenwijs, maar dan is dat een geweldige oplossing voor mijn probleem. Iemand anders heeft wel voor mij geknokt om mij leven te geven.”  Wat bevrijdend om dat te aanvaarden.
 
Nu terug naar ons verhaal. Nou naar onszelf hè, waarbij we kunnen zeggen: wij zijn met elkaar als Mozes, want wij spreken met God van aangezicht tot aangezicht. En anderen die zien dat niet. Maar ik denk dat we zo nu en dan ook zelf in de rol kunnen zitten van: dat je even ten einde raad bent. Dat je geen geloof vooraf hebt, maar geloof achteraf. Dat dat elke keer een spoor in je leven trekt. Hoe kan dat nou anders? En daar ga ik vanmorgen niet definitief een antwoord op geven, maar ik wil wel proberen een richting met jullie te zoeken.
 
Er staat in dat geheel van verhalen ook nog een verhaal over Amalek in hoofdstuk 17:8. Dan, bij alle narigheid die ze gehad hebben, komt Amalek. Daar hadden ze elke keer strijd mee. Dus dan is het al moeilijk. Nou oké, God heeft voorzien: manna; water uit de rots. Dus je krabbelt weer een beetje omhoog. Dan komt er een vijand met de bedoeling om jou te vernietigen. En ze waren in een wat lastige omstandigheid. Daar in de woestijn, niet echt goed gewapend, ook niet goed getraind. Dus een makkelijke prooi voor de tegenstander. En wat me nu opgevallen is: als je het woord ‘Amalek’ bekijkt, dan betekent dat ‘last’. Last, en wie heeft er wel eens last van last? Lastig hè? Je kan zo’n làst van dingen hebben. Je wilt wel leven, maar er zijn allemaal van die dingen, daar heb je zo’n last van. Dat speelt élke keer door je bestaan. Daar vraag je ook niet om. Dat komt domweg. Vol goede moed, een samenkomst, misschien een bijbelstudie of een gesprek met iemand gehad. Of in je eigen relatie met de Heer mooie dingen ontdekt. En dan even later, dan komen weer van die lastige dingen langs. Dat wil je helemaal niet, maar het gebeurt wel. En dat bepaalt dan weer helemaal je bestaan.
 
Amalek wil gaan vechten.  En Mozes, die begint aan een taakverdeling. Hij zegt tegen Jozua: “Je moet mannen uitzenden om Amelek te bevechten en dan ga ik zelf op de heuveltop staan met de staf Gods in mijn hand”. Nou, dat doet Jozua (vers 10). Hij strijdt tegen Amelek; ‘maar Mozes, Aäron en Hur hadden de heveltop bestegen. En wanneer Mozes zijn hand ophief, had Israël de overhand, maar wanneer hij zijn hand liet zakken, had Amalek de overhand. Toen de handen van Mozes zwaar werden, namen zij een steen, legden die onder hem neer, zodat hij daarop kon gaan zitten; en Aäron en Hur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene en de ander aan de andere zijde, zodat zijn handen onbeweeglijk bleven tot zonsondergang. Zo overwon Jozua Amalek en diens volk met de scherpte des zwaards.’
 
Opmerkelijk verhaal vind ik dat. En meteen denk ik: daarin zit wel een heel groot geheim.
Wat deed Mozes?  Nou, hij richtte zich op zijn God, met zijn hele hart en ziel, richtte hij zich op wat zijn God zei. Niet op wat Amalek zei, maar op wat zijn God zei. Dàt wilde hij weten. En, dat denk ik ook, dat dat een kenmerk van Mozes was. Mozes had er wel terdege zicht op hoe het bijvoorbeeld in Egypte werkte. Hij was aan het hof opgegroeid. Daar wist hij alles van. Maar zijn kracht was niet het kennen van het Egyptische hof, maar – om het maar zo te zeggen – van Gods hof. Hij was thuis in Gods gedachten. Dat bepaalde zijn positie. Dat is ten aanzien van Amalek ook zo.
Kenmerk van leven samen met God en overwinnen, dat is vooral veel weten over wie God is, wat God spreekt, wat Vader zegt over jou. Wat hij gelooft van jou. Hoe Hij daarin zelf staat. Maar Mozes  hief zijn handen op. Maar als je dat al te lang doet, dan hou’ je dat niet meer, want dan zijn je handen zo zwaar. Maar ook als beeld, soms dan wil je die richting wel, maar dan is er zóveel tegen, dan kun je soms niet meer. Wat is het dan prachtig – eigenlijk vind ik hier het gemeente-zijn beschreven – dat er een Aäron en een Hur zijn, die zeggen: “Wij doen dat samen. Wij houden het samen hoog.”
Als je zo gemeente-zijn beleeft, dat als het voor jou te zwaar is, dat een ander niet met het verwijt komt, maar met zijn handen tot ondersteuning van jouw handen. Want zo werkt het eigenlijk hè. Zijn handen, jouw handen. Zijn staf, jouw staf. Als je dat hoog houdt, dan komt daar iets heel anders te voorschijn. Dat is heel opmerkelijk. Als dàt vastgemaakt wordt, dat wat God zegt, dan moet Amalek het afleggen. En God zegt: “Dit is een heel belangrijk gebeuren. Dit moet je opschrijven”, zegt Hij. “Dat moet je Jozua inprenten: dat Ik de herinnering aan Amalek onder de hemel volledig zal uitwissen.” Dat Ik de herinnering ‘aan last’ uitwis. Dat is nou heel wat meer dan iets minder lastig. Maar de herinnering eraan, aan moeite.
Is het je wel eens opgevallen, dat soms bij de mooiste dingen, dat het bijna een automatisme is: er wordt iets moois verteld en dat de eerste de beste reactie is: “Maar dat is moeilijk hoor! Dat is moeilijk.” Daar komt gelijk een gewicht aan te hangen. Terwijl ik denk, als iets nou waarachtig als een geschenk aan me gegeven wordt, dan is dat nou uitgerekend niet moeilijk, want het wordt als een geschenk aan me gegeven. Het wordt mij gegeven door een ander. Dan kun je zeggen: “Ja, dat is dan moeilijk voor die ander”. Ja, als die dat geven kan, dus niet. Maar de logica van het feit dat dingen ‘lastig’ moeten zijn. Daar zijn we ook wel bij opgegroeid dat dingen moeilijk moeten zijn en ingewikkeld. Want God was toch veraf en je moet het bewijzen. Het is ook zo heidens als de pest dat je er altijd voor moet werken, werken, werken. Viel me laatst nog op in zo’n tekst. Dan zeggen ze tegen Jezus: “Wat voor wérk moeten we dan doen?”  Hij zegt: “Als je Mij nou eens gelooft.” Dat is mooi! Niet van: probeer dit eens en probeer dat eens. “Als je nou eens gaat geloven wat Ik geloof.”
Mozes die bouwt daar een altaar en dan zegt hij: “De Heer is mijn banier. Dat houd ik hoog.” En zegt hij: “De hand op de troon des Heren.”
‘De Heer heeft een strijd’, staat er ‘tegen Amalek van geslacht tot geslacht. Bij de hand op de troon des Heren. Je kunt ergens je hand opleggen hè. Dan zeg je: “Hier leg ik mijn hand op, dat eigen ik mij toe.” Mijn hand op het koningsschap van God, op datgene wat Hij gelooft. Dat heeft Hij gesproken. Dat heeft Hij gezegd. Dat gaat uit boven wat Amalek is, wat Amalek zegt,  ‘last’ zegt: “Als je nou eerst die hele last overwint, als je daar nou je best voor gedaan hebt, als je daar nou boven uitkomt dan komt misschien het leven ook weer terug.”

Nou, dat is een soort torenbouw van Babel. Bij de torenbouw van Babel (Genesis 11:1-9) besloten de mensen vanaf de aarde een toren te bouwen die tot in de hemel reikte. Dit is een beeld van een totaal verkeerde manier van bouwen, dus van denken. Het is een proberen vanuit het aardse, de ijver, de organisatie de hemel te bereiken. Het gevolg is dat hun spraak verward wordt; een beeld van elkaar niet meer verstaan, niet zozeer wat taal betreft, maar het elkaar begrijpen, aanvoelen.
Jezus wil niet dat we van beneden af proberen de hemel te bereiken. Hij plaatst ons in de hemel, in Zijn tegenwoordigheid om van daaruit te denken en te geloven. Vanuit Zijn liefde te leven. Hij zei immers tegen de Farizeeën: “Ik ben van boven, gij zijt van beneden; gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld.” Pobeer dus niet van beneden af  boven te halen. Daar hebben mensen – heel goed bedoeld – soms hun hele leven aan vergooid, of niet. Dat doet me echt pijn. Als je mensen ziet die maar worstelen en worstelen en worstelen om er wat van te maken. Dat is toch geen leven. Wat doet Amalek? Het staat in Deuteronomium 25:17  ‘Gedenk wat Amalek u gedaan heeft op uw tocht, toen je door Egypte getrokken bent; hoe hij u onderweg tegenkwam – en nou moet je opletten – en al de zwakken in uw achterhoede afsneed, terwijl gij vermoeid en uitgeput waart en hoe hij de Heer niet vreesde. Als dan de Here, uw God, u rust gegeven heeft van al de vijanden rondom u in het land, dat de Here, uw God, u ten erfdeel geven zal om het te bezitten, dan zult gij de herinnering aan Amalek onder de hemel uitwissen; vergeet het niet.’
Hij zegt: “Hoe werkt Amalek?” Altijd de zwakken in de achterhoede aanvallen. Die mensen, die lopen, die toch al niet mee kunnen komen en dan isoleren en verdelgen. Van: “Ach, ach dat jij niet meekan. Hoe lang ken je de Heer al wel niet. Nou, wordt het wel ooit wat met je? Doe je eigenlijk wel genoeg je best? Heb je wel geloof genoeg?” Dat soort dingen. Nou, die mensen worden daardoor verpletterd. God zegt: “Ik wil dat die herinnering aan Amalek verdwijnt.”
Praktisch gezien hebben daar ook op een gegeven moment een paar mensen hun best voor gedaan. Saul bijvoorbeeld, in 1 Samuël 15. Saul ging Amalek aanvallen. Maar het beste van Amalek, dat ging hij bewaren. Saul is zijn koningsschap daardoor kwijtgeraakt. Door het feit dat hij zegt: “Nou, het beste van Amalek bewaar ik”. Dat is weer hetzelfde als ‘het beste van Egypte’, ‘het beste van Amalek’. “Sommige dingen van de vijand, daar zit toch wat goeds in”. Nou, daar zit niets goeds in hoor, daar zit niks in. Dat wat niet van God uitgaat, dat wat niet goed is, dat deugt ècht niet. Wat ben ik bijvoorbeeld geweldig blij met de gedachte dat God alleen maar goed is, niet verdeeld. Ook niet stiekeme bedoelingen heeft met allerlei narigheid. Wat zijn mensen daar aan kapot gegaan. Van alles wat gebeurt aan God toeschrijven. God heeft dit gezegd, God heeft dat gezegd. Nou, daar kan je niet mee leven, want dan wordt Hij onbetrouwbaar in jouw ogen. Maar ik heb behoefte aan een God die betrouwbaar is en die mij helpen kan om die herinnering uit te wissen. En die God hebben we gevonden!
 
Samen met Hem mag jij van onder de hemel, jouw plek trouwens, jouw samenleven met God, die dingen doen verdwijnen die niet deugen. Mijn hand leggen op, vastmaken wat God over mij zegt. En hoe doet Hij dat? Via wie? Nou, Hij doet dat tegen jezelf, misschien wel via anderen, ook zeker wel. Via Aäron en Hur in deze gemeente en in andere gemeentes. En wat is dat goed om dat te vinden met elkaar. Kijk, zichtbare dingen, dingen die gebeuren, ja die kan je allemaal gaan benoemen. Je kan dat ook ‘inzicht’ gaan noemen, want soms denk ik wel eens: “Er zijn dingen ‘inzicht’ genoemd en dat had helemaal niks te maken met inzicht”. Je zag gewoon in de zichtbare wereld dingen misgaan en daar werd dan aan vastgekoppeld: “Nou, dat komt door die en die geest”. Dat is geen inzicht, dat is gewoon wat manipuleren met feiten. Maar inzicht, daar gaat God over spreken als jij met problemen bij Hem komt. Weet je wat ik het meest hoor wat er van Godswege naar mensen toekomt? Mensen, die we kennen, hoe God daarvoor zorgt? Mensen komen met hun problemen bij God en ze willen graag dat die opgelost worden. Het éérste wat Vader zegt’, is: “Ik hou’van je”, dat is het meest gehoorde. Ik hou’ van je. Ja, maar jij wil gaan praten over je problemen en God wil gaan spreken over jou, over Zijn liefde voor jou. Dan zeg je: “Het is veel te zwaar”, dan zegt Hij: “Dat vind ik ook”. “En ik weet niet hoe ik tillen moet”. Daar zegt Hij vaak: “Wie zegt dat jij tillen moet? Wie heeft je dat wijsgemaakt dat je alles aan moet kunnen.” En dan vervolgens de stempel erop: nou ben je echt een geestelijk mens. Er zijn heel geestelijke mensen die soms heel erg kapot zijn, die niet weten waar ze het zoeken moeten, maar waar je zo’n ontferming ziet van God. Wat ik ook prachtig vind, dat God daar heel, heel erg dicht bij kan met heel Zijn wezen.
Ik merkte op een gegeven moment dat er een gedachte populair begon te worden, dat je gerust boos mocht zijn op God. Dan denk ik: “Waarom moet ik boos zijn op God?” Niet dat als ik denk, boos te zijn op God, dat Hij mij dat verwijt hoor, helemaal niet. Maar ik merk wel dat het heel erg goed is, dat als er veel boosheid zit, dat ik ermee terecht kan bij God. Dat ik dat mag laten zien, dat ik dat verwoord. En dan merk ik dat God met je meehuilt. Dat Hij als ’t ware zegt: “Joh, die pijn, dat heb ik ook al zo lang bij jou gezien. Wat vind ik het fantastisch dat je dat nou aan Mij vertelt. Dat is een zaak van vertrouwen. Wij vertrouwen elkaar dus. Je durft jezelf helemaal te openen naar Mij.”
Ik vind het een wonder op zich. Mensen, beschadigd als ze zijn, dat ze soms zichzelf durven laten zien. Maar bij God kan het altijd. Daar kan je jezelf ook laten zien. Want in Zijn wijsheid komt Hij je zo geweldig tegemoet, dat is zo veelzijdig. Ik heb daar ook een gedeelte van meegenomen. Ik heb de apocrieve boeken en daar zit ook het boek ‘wijsheid’ in. Daar wil ik graag iets uit voorlezen. Daar gaat het over wijsheid - en dat vind ik heel erg mooi -  als een persoon. Dat vind ik ten allen tijde prachtig. Pàs als het woord een persoon wordt, dan wordt het echt werkzaam, als waarheid een gezicht krijgt, als waarheid een persoon wordt, dan gaat het echt leven.
 
Nou, God is wijsheid en wij zijn ook op weg om dat te worden. Er staat in wijsheid 8: ‘In haar is een geest die verstandig is, heilig, uniek, veelzijdig, subtiel, beweeglijk, doordringend, smetteloos, helder, onkwetsbaar, bedacht op het goede. Scherpzinnig, onweerstaanbaar, weldadig, menslievend, standvastig, onwankelbaar, onbekommerd, alles vermogend, alles overziend, alle geesten doordringend. Hoe verstandig, zuiver en subtiel ze ook zijn, want de wijsheid is beweeglijker dan àlle beweging. Ze doordringt en verspreidt zich in alles door de kracht van haar zuiverheid, want ze is de ademtocht van Gods kracht en de pure uitstraling van de heerlijkheid van de Almachtige. Daarom wordt ze niet aangetast door iets dat onrein is.’ Is het niet prachtig? 
Ik vind het prachtige van God dat Hij zo, op zo’n manier, naar je toe komt. Beweeglijker dan alle beweging. En er is wat beweging hè.  Maar die beweging van God, die gaat daar bovenuit. Die dénkt anders en die gelooft anders. Die ontkent niet die moeite. Mozes heeft niet gewonnen omdat hij zei: “Wat, er zijn helemaal geen Egyptenaren. Ik zie niks.” Hij had zijn ogen wijd open, maar hij zag een àndere realiteit. Hij zag een God die uitleidde. Die waarachtig wel wegen vond waar je langs kon gaan en waar de vijand niet bij kon komen. Dat met elkaar ontdekken, in die wijsheid elkaar goed doen, tevoorschijn roepen doordat je net zo gaat spreken als God. Gaat spreken vanuit liefde, vanuit ontferming.
Ik heb vroeger van alles geleerd. Je leerde dat je niet deugde en dat je niks kon. Op dat moment was dat wel een enorme bevestiging van de praktijk van alledag hoor, ja dat klopte wel. En dan nog die verhalen over een God die je alles deed toekomen. Regen en droogte. Dat kan nog een keer. Ziekte en gezondheid en alle narigheid. Allemaal uit gods goede vaderhand. Och mensenlief, wat zijn mensen gemanipuleerd, wat beneden hun maat gehouden.
En nu God, nu je Hem echt ziet, in Zijn schoonheid. Nu spreekt Hij over schoonheid, over jouw schoonheid, over jouw waarde. Over het intense respect wat Hij heeft, over Zijn ontferming. Wat doet het mij geweldig goed, ook in eigen gemeente, om te zien hoe dat werkt. Er zijn een heleboel dingen waarvan ik niet weet hoe het komt, want ik ben geen psycholoog en hoe je er verder mee moet. En wie de grootste schuld heeft van dingen. Maar wat ik zie, dat spreken van God door mensen tegen elkaar omdat ze God verstaan, wat doet dat goed. Hetzelfde wat ik hier zie. Dat je jezelf niet meer hoeft te bewijzen, maar dat er iemand is met een hart van goud die zich bewijst aan jou.
Het zit van binnen. Je hebt een God leren kennen, die laat merken dat Hij jou kent. En vroeger dacht ik altijd: ‘Als iemand mij kent, nou ja, dan wijst die mij toch af.’ Maar degene die me echt kent, die wijst mij niet af, die omarmt me, die doet me goed. Die weet álles van troost, alles van bemoediging. Die is ook niet dingen aan het baggitaliseren. Die is dingen op zijn manier aan het oplossen, zodat ik steeds meer leer om vóóraf juiste informatie te vragen bij mijn vriend zodat ik heel anders in dingen sta. Zodat ik veel beter kan gaan zien welke kant het opgaat. Zodat ik me veel meer bewust word van wat mèt me is. Ik heb wel eens gedacht, als wij het voorbeeld van Jezus mogen volgen, als er voor Hem een legioen engelen beschikbaar staan, dat weet Hij. Hoeveel zouden er voor ons beschikbaar staan? Denk maar eens aan het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil. Hij zegt in Daniël 6 vers 23: “Mijn God heeft zijn engel gezonden en de muil der leeuwen toegesloten en zij hebben mij geen kwaad gedaan.” Als je je eens bewust wordt, als we ons steeds meer bewust worden over hoe dat werkt. Wat met je mee is, met die ontwikkeling, wat een feest is dat ook voor engelen dat ze actief kunnen worden rondom jouw bestaan doordat jij God gaat geloven, want daar voelen ze zich bij thuis. Daar worden ze zelfs door geleerd, door jou. Wat een positie. Wat schitterend dat er zo om je gegeven wordt en dat God zo met je meegaat. Wat mooi ook dat Hij dat doet. Een paar woorden wil ik nog even noemen.

Dat de beweging van God, dat dat uniek is. Dus ik hoef in het zoeken ook niet terug naar: “Nou ik heb dit ervaren en ik heb dat ervaren”. Vaak stap je terug om te kijken of iets wel kan en dan denk je: “Ja, maar daar heb ik geen voorbeelden van.” Ja, maar Mozes had ook geen voorbeelden hoe hij door de zee moest trekken toch. Maar hij keek met Zijn God vóóruit. Wijsheid is ook: - en dat vind ik een heel mooi woord -  subtiel. Heel fijngevoelig. Ik denk dat we daar heel erg veel behoefte aan hebben. Die subtiliteit van de Geest van God, van spreken van onze Vader. Dat je dat ook leert. Want ik vind het zelf heel gaaf als mensen me met respect tegemoet treden. Ik vind het trouwens ook gaaf dat de Heer je leert, als iemand dat niet doet, dat dat helemaal niet meer ten koste gaat van jezelf. Dat tast me niet aan, dat spreken van derden. Ik word bepaald door het spreken van mijn Vader. Ach mensen, daar gaan we in door hè, in dat soort leven, in die gerechtigheid. Zo rekenen we samen af met Amalek, met last, door op te trekken met Degene die alle last en zonde weggedaan heeft voor ons. We hebben geaccepteerd dat Hij de zonde heeft weggedaan, accepteer dan ook dat Hij de last heeft weggedaan. Dat ik daar heel anders in mag komen staan. Wij zullen er getuigen van zijn hoe helend dat is, in onszelf en naar anderen toe. Daar staat de Heer borg voor kan je zeggen, maar wij ook met elkaar. Heb maar een goed beeld van jezelf, want God heeft dat ook.
Amen.


 
Gebed 
Heer fijn dat we weer dingen aangereikt hebben gekregen en dat we daar samen met elkaar en met U mee door kunnen gaan, want dat willen we. Nou fijn dat we nu een band, een relatie met U hebben en dan ook vooruit kunnen kijken en hier verder mee kunnen gaan en ons hier verder in kunnen ontwikkelen. Groeien, samen met elkaar en met U, zodat het verleden achter ons ligt. Want wij willen op die momenten dat het moeilijk is, of die momenten dat er nare situaties zijn, nou dan willen we daar goed doorheen komen. Daarom willen we ook gemeente zijn en samen om elkaar heen staan.
Amen.

Bent u aangesproken door deze preek? Geef een reactie op: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
Maak de VOX website verder bekend en geef het evangelie van Jezus Christus door!