Brood en wijn
Duurt Sikkens
 
 
 
Vorige week, toen we stonden te bidden, sprak ik ineens een zinnetje uit waar ik niet over nagedacht had. Ik dacht: “Wat zeg ik nou?” En dat heeft me aan het denken gezet. Daar gaat het vandaag over. Ik weet niet of je het zinnetje gehoord hebt. Het was één zinnetje: Wij zijn brood en wijn. Dat we brood en wijn ZIJN.
 
Maar goed, voordat ik zover ben, wil ik even iets vertellen over het begrip Manna. Letterlijk betekent dat: “Wat is dit?” Het is iets onbekends. En dat Manna lag elke dag, elke morgen rondom de tenten van de hele legerplaats. En daar bovenop lag dauw. En als de dauw door de zon een beetje opgetrokken was, konden ze het manna zo verzamelen. Mozes noemt de dauw, de kostelijkste gave van de hemel. Een mooie uitdrukking. En elke dag lag daar het manna. Ze hoefden echt niet meer te bidden, geef ons heden ons dagelijks brood, want dat lag er al. En dan raapten ze het op in korven, of in schalen en bakken. En dan ga je dat een beetje zeven, zodat de rommel en de rotzooi er uit komt. Daarna werd het fijngemaakt in vijzels, je kon het ook malen. Daarna werd het gebakken en dan kon je het eten. Dat moesten ze allemaal zelf doen. Manna raap je, maar je verwerkt het zelf. En verwerken dat is doordenken, kauwen en herkauwen, dat is brood klaarmaken en ik vind het heerlijk om altijd over deze dingen na te denken. Echt, dat is mijn lust en mijn leven. Alleen het probleem is dat ik daarin altijd ontzettend word aangevallen met rotzooi en troep. Druk van buitenaf, omdat je bezig bent met de kostelijkste gave van de hemel. Manna wordt in een van de psalmen ‘koren van de hemel’ genoemd. Koren van de hemel. Dus geen gebakken broodjes maar koren. Het gaat erom dat je het zelf overweegt, daarmee om gaat. Het woord ‘overdenken’ komt in Psalm 119 7 keer voor. Eindeloos overdenken. En mijn lievelingstekst is in Psalm 123 “hoe kostelijk zijn mij uw gedachten”. Het gaat om de gedachtenwereld van God. Uiteindelijk zullen we daarmee de gedachtenwereld van de boze, zijn kop, moeten vermorzelen. Het gaat erom om inzicht te krijgen in de dingen van de Vader. Dat je het gaat zien. Neem nou dat volk Israël, het is bevrijd, het is uit het diensthuis, uit de slavernij, daar zijn ze uit bevrijd, echt, een gigantisch wonderteken is dat geweest en dan sta je daar en in plaats van dat je dan in het beloofde land staat, sta je daar voor een woestijn. Ze zijn bevrijd om te leren met vrijheid om te gaan. Ja, dat moesten ze allemaal leren. Dat konden ze niet. Het was een wetteloos volkje, hoor, en hartstikke occult. Een heleboel namen gewoon hun afgoden mee uit Egypte. Dus je zegt, het oude leven ligt achter mij, maar wat heb je daar uit meegenomen, want een afgodsbeeld, dat is een raar idee wat je steeds maar meesjouwt uit het verleden. Om mijn part is het een gebondenheid. Je moet leren uit Gods hand te leven. En ze hoefden overdag niets te doen, ja, tentje opzetten, meer hoefden ze niet. Geen beroepen uitoefenen, kleermakers hadden ze niet nodig, want in die 40 jaar is de kleding niet versleten. En de schoenen ook niet, dus schoenlappers had je daar ook niet. Wist je dat? 40 jaar. Dames hoe zou je het vinden, 40 jaar dezelfde outfit? Daar zit natuurlijk een diepere werkelijkheid achter. Goed, het belangrijkste was dat ze moesten leren luisteren, altijd leren luisteren. Dat is een kunst. Leren luisteren eigenlijk met de geest en ze begrepen er zo weinig van. Ze zaten nog zo vol streken, dat God eigenlijk gezegd heeft: laat ik ze eerst maar eens een wet geven, een normale wet van dingen die je niet doet. Kijk, tegen een dief zeg je: dat moet je niet doen. Maar iemand die nooit steelt, daar hoef je toch niet tegen te zeggen: je zult niet stelen. De wet is gegeven aan wettelozen. Er zijn genoeg mooie goede mensen in de wereld, die hebben de 10 geboden gewoon niet nodig, die hebben een geweten en daar handelen ze naar. Dat is helemaal geen punt. Maar ja, waar waren ze druk mee? Met familietwisten, het verschil tussen de stammen, onderlinge ruzies. Weet je dat Mozes daar de godganse dag mee bezig was? Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat kwamen de mensen drammen bij zijn tent. Er staat in de bijbel het woord: uitgeput. Elke avond tolde Mozes uitgeput op zijn bed. Zijn schoonvader, die op bezoek was, dat was een priester uit Midian, Jethro heette hij, die zag dat een poosje aan. Hij zei: “Mozes, jongen, dit gaat niet goed, dit gaat niet goed. Al die mensen, dat gedram om je hut”. Maar ja, Mozes was zeer zachtmoedig, hij liet het dan maar zo. Maar Jethro zei: “Dat moet je anders aanpakken, anders ga je er aan, man”. En toen zei Mozes niet heel vroom: “De Heer is bij me”. Jethro zei: “Wordt eens verstandig”. “Nou hoe dan”, zegt Mozes…... en dan zegt hij hoe hij dat allemaal kan delegeren en de moeilijkste zaken ging Mozes dan wel zelf oplossen. Al dat gedoe, daar is de leiding niet voor. Ja, is wat, als je zo met een volk moet omgaan, waarbij je zulke stomme dingen allemaal moet oplossen. Alsof je daarvoor aangesteld bent, zegt Jezus, wie heeft me tot rechter en scheidsman aangesteld. Dus je hoeft je natuurlijke problemen nooit voor te leggen aan de Heer of wat dan ook, natuurlijk niet.
 
Ik wil graag voorlezen een stukje uit Numeri 21 vers 4-6 Toen zij van de berg Hor opgebroken waren in de richting van de Schelfzee ten einde om het land Edom heen te trekken, werd het volk onderweg ongeduldig. In plaats van ‘onderweg’ staat er in de statenvertaling ‘vanwege deze weg’. Zo van: Mozes, we kunnen toch, in een maand in Kanaän zijn. “Nee, nee, jullie moeten eerst nog een heleboel leren”. En het volk sprak tegen God en dus ook tegen Mozes: Waarom heb je ons uit Egypte gevoerd? Om te sterven in de woestijn? Want er is geen brood en geen water en van deze flauwe spijs (daar heb je het manna) walgen wij.
 
Probeer het even praktisch voor te stellen. In welke richting gaan ze nou weer? Schelfzee, ander woord: Rode Zee. Daar waren ze 40 jaar geleden doorheen gegaan en nou weer terug. Ja, jullie hebben niks geleerd in de woestijn. Ga eerst maar eens weer terug, wordt eens bewust, goed bewust, dat je opnieuw geboren bent. Letterlijk van boven geboren en dat het om die mens gaat, die eeuwig is. Als je dat eens weer goed bewust wordt: opnieuw van boven geboren. Wat een feest. Dan worden ze ongeduldig. En er staat geloof ik nog wat: “Wij walgen daarvan”. Ze wilden wel eens wat anders eten, ze walgden ervan, er staat letterlijk: kotsen. Elke dag brood van dat manna gemaakt, koren uit de hemel. Ja, ze kotsen. Dat zijn lui die zouden kotsen van bijbelstudie. Het gaat er om dat je door krijgt wat er met de woorden Gods bedoeld wordt. Jezus zegt ook tegen de Schriftgeleerden: “Jullie bestuderen de schrift want je denkt dat daar het eeuwige leven in te vinden is. Nou, terecht”, zegt hij, “want dat ben ik, het gaat over mij”. Zo dan wordt het wel even stil. Tegelijkertijd mag je ook zeggen: de schrift gaat over ons, want als het over het hoofd gaat, dan gaat het ook over het lichaam. Ze kotsten ervan. Ja, dat is erg hoor, ongeduldig worden. Ja, en dan komen er vurige slangen, serafslangen. Eigenlijk waren dat origineel lichtende engelen, de serafin, maar dit zijn gevallen engelen, daar zijn die slangen een beeld van. En je moet oppassen dat je niet gebeten wordt door een boze geest, want dat gif begint te werken en voor je het weet, ben je geestelijk dood. Je loopt gevaar geestelijk dood te gaan.
 
En dan gaat het verhaal verder, dat weten jullie waarschijnlijk wel, maar ik doe maar even de schoolmeester, hoor. Hoe komt hier een eind aan, wie weet dat? Ja, het volk gaat drammen. “We gaan er allemaal aan!” Waar gemopper en gedoe en gefoeter al niet tot leiden kan. Dan ga je er aan! Mozes, doe iets! En Mozes doet dat dan. En God zegt: “Maak maar een staak, giet maar een slang, zet die er op en iedereen die daar naar kijkt, die zal het leven houden”. Mozes doet dat, het zal wel niet een fraai kunstwerk geweest zijn, en dat ding wordt daar neergezet en iedereen die daar naar keek, die ja, werd gezond. Waar is die slang met die staak eronder, een beeld van? Wie weet dat? Waar is die slang met die staak een beeld van. Van Jezus! Hè? Van Jezus. Oh, ja? Ja! En dan staat er geschreven in Johannes 3: Gelijk Mozes een slang op zijn staak heeft gedaan, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden. Dus Jezus zag er wel tegen op. Het moet, zei hij, het moet gebeuren. En als je dan op hem let, dan blijf je in leven. Alles wat aan een paal hangt, staat er in de Bijbel, is vervloekt. Vervloekt is iedereen die aan een paal hangt. Jezus is gekruisigd, die heeft een vloek gedragen. De vloek van de zonde en de vloek van de dood. Hij heeft het zondeprobleem opgelost en hij heeft de geestelijke dood opgelost, afgeschaft. Dus als je daarop ziet dan blijf je in leven. Ja, dat is mooi, Jezus gebruikt dus dat beeld voor zichzelf. Nou dat ging er bij de discipelen eerst helemaal niet in. Ik denk dat ze het ook niet begrepen hebben. Zo’n man, die zulke dingen zegt en doet, aan een staak, als een slang. Daar klopt toch iets niet. Later begrepen ze het. Ja, hij heeft de vloek gedragen, dan blijf je leven. Het rare is, dat omdat die mensen daarvan genazen, ze die slang bewaard hebben. Ja, dat koperen ding moest bewaard worden want als je daarna keek, dan genas je. Dat is helemaal niet waar. Weet je hoe lang ze hem bewaard hebben? 800 jaar. En hij kreeg een plekje in de tempel. In kerken en tempels moet je altijd fluisterend binnenkomen. Heel eerbiedig, daar naar kijken en dan zeggen, misschien geneest het nog wel een keer en dan knielen en dan briefjes er op prikken. Hizkia zei: “Dat koperen ding is een afgod geworden”. Hij heeft hem vernield. Hij begreep het. Ja, hoeveel mensen begrijpen het niet. Want waar ik ook kom, vooral in Frankrijk, wat zie ik? Gekruisigde christusbeeldjes. Dat heet crucifix. Cruci is kruis en fix is vastmaken. Daar hangt ie en de mensen eindeloos bidden en vragen en knielen. Wat heb je in je hart, want dát is de tempel. Heb je daar een gekruisigde Jezus of heb je daar een opgestane Heer? “Wij zien Jezus”, zegt de Hebreeënschrijver, “met eer en heerlijkheid gekroond”. Als ik in een concentratiekamp heb gezeten en er is op het ellendigste moment een foto van me gemaakt. Zou ik die foto verspreiden? Eindeloos? Ik vraag maar, hoor.
 
Nu nog even terug naar dat manna. Wat zegt Jezus daarvan? Hij zegt: “Dat manna dat ben ik. Dat volk heeft brood gegeten en ze zijn allemaal gestorven, maar als je mij eet, dan heb je het eeuwige leven”. Staat allemaal in Johannes 6: want dat is het brood Gods, dat uit de hemel neerdaalt en aan de wereld het leven geeft. Dat is het ware brood uit de hemel, het echte brood. Brood uit de hemel. Daarmee zegt Jezus dus: Ik ben van boven gekomen en ik ben neergedaald. En dat wordt een paar keer gezegd in dat hoofdstuk in Johannes. Ik meen wel een keer of 6. Het woordje ‘neergedaald’. Neergedaald. Wat mooi, dat koren dat daar neerdaalt en wat je dan zelf gaat verwerken. De uitspraken van Jezus is koren, koren op je molen, maal het, doe dat, het is zo belangrijk, raap het op, zeef het. Stel dat ik iets stoms zeg, nou, dan gooi je dat er toch even uit en dan hou je het brood toch over. En val niet over dat steentje. Het leuke is dat de meeste mensen daar dan een beetje olie bij deden om er deeg te maken, het kan ook met water, hoor. Olie en water, beeld van de Geest, het woord, zodat dat goed dooreen gemengd wordt, doorkneed wordt. Ja, dat doe je met je handen, dan ben dus met je geest bezig en dan geef je het een bepaalde vorm en iedereen mag zijn eigen vorm daaraan geven, van krakeling tot stokbrood, het maakt allemaal niet uit, het is jouw vorm.
 
Maar dan, dan wordt het gebakken, want niemand eet deeg. Ik kreeg vroeger wel eens een stukje van mijn moeder, voordat ze ging bakken, dat was altijd mierzoet en dat vonden we lekker. Het diende gebakken te worden en bakken gaat met vuur en vuur is een beeld van boze geesten. Als de wereld door vuur vergaat, dan betekent dat de boze geesten zo verschrikkelijk veel macht krijgen, dat ze de mensen gigantisch onder druk zetten. Ja, zoveel mensen die daaronder bezwijken. Dat vuur, dat dient om te bakken, je wordt gebakken door vuur heen. Er zijn genoeg plekken in de Bijbel die daar op wijzen. Als je stand houdt in die moeilijke dingen, in de verzoekingen in je gedachtenwereld dan zit je in een bakproces. En ik zal je wel eerlijk vertellen, ik vind de geur van versgebakken brood in een Frans stadje, daar kan niks tegen op. Dat ruikt zo lekker! De geur van vers gebakken brood. Dat was Jezus, want hij heeft alle verzoekingen doorstaan in die 40 dagen en daar kwam hij gebakken uit. Vers brood. Heerlijk. Heerlijk. Dat geeft smaak, dat geeft geur. “Dus, dat manna dat ben ik”, zegt Jezus. Wij zijn ook boven geboren. Om dat te beseffen, ja, dat is toch niet saai, daar ben je toch dag en nacht mee bezig! Ze mogen me er ook voor wakker maken, om deze dingen te bespreken, te overdenken. Dat verveelt me nooit. Dat heet brood des levens. Dat is niet alleen Jezus en niet alleen zijn uitspraken, het zijn de uitspraken van God, die gestalte kregen in Jezus. Want het evangelie is door God verzonnen. Niet door Jezus, het is Gods evangelie, een blijde boodschap om de mensen weer eeuwig leven te geven. Hij doet niets liever dan leven geven. Dat zijn nog eens hemelse schatten, dus dat is niet saai. Ik weet wel wat saaie bijbelstudies zijn, dat weet ik wel, daar heb je niets aan. Dus blijf zoeken naar die hemelse schatten, ga die maar verzamelen. Dat is mooi, hoor. Noem es hemelse schatten. Een van de mooiste schatten is natuurlijk het eeuwige leven en dan met nadruk op leven. Maar gewoon gerechtigheid, ik bedoel eerlijkheid, trouw, vriendschap. Wat kun je veel hebben aan goede vriend. Zo belangrijk. Ken je die merkwaardige uitdrukking: Wentel uw weg op de Here? Wat stel je je daar bij voor? Wentel uw weg op de Here. Nou daar staat in een Engelse vertaling: ontsluit je wegen. Durf je je te openen? Nou, alleen voor vrienden durf ik mij te openen. Die gaan niet als een amateurpsycholoog in me wroeten, die gooien de boel niet overhoop, die respecteren je innerlijk. Wat wilde ik daar nou mee zeggen? Dat dat een schat is, een kostbare schat, vriendschap. Welk een vriend is onze Jezus. Ja, maar hoeveel vrienden heb je waarbij je je durft te openen, om te genezen? Om genezing te ontvangen. En nu komt het. Blijf zoeken en ontdek dat wij het brood des levens zijn. Het hoofd is hetzelfde als het lichaam. Denk eens aan brood en wijn. Zijn lichaam en het bloed van Jezus. Dat is één ding, maar het betekent nog meer. Het betekent ook woord en geest. En daar gaat het om. Wij kunnen ook van boven, als je wilt, neerdalen, dat betekent onze hoge gedachten en de gedachten Gods, openbaren aan de mensen. Maar je moet wel eerst door de lucht. En je weet van elke terugkerend ruimtevaartuig, dat daar de meeste weerstand ligt. Die shuttles die terugkeren. In de dampkring daar is de meeste weerstand. Paulus heeft het over de boze geesten van de macht der lucht. Als je neerdaalt, dan stuit je op weerstand, maar reken maar dat de boze er op uit is om juist dat, de openbaring van Jezus Christus tegen te houden. En wat zat er aan de onderkant van al die shuttles? Wat hadden ze daarvoor verzonnen? Hitteschildjes. Een hele serie, helemaal betegeld met hitteschildjes. Dàt zijn nou de gedachten Gods. Die je beschermen, het vuur spat er af, maar ze beschermen de inhoud. En als je dan geland bent, dan kun je hem openbaren, dan kun je de woorden Gods vertellen, want die zijn door vuur gelouterd. Die zijn zo echt en zo waar, zo kostbaar. Je zou haast tegen de mensen zeggen: eet ons maar op, eet en drink ons op. Nou, dan heb je het eeuwige leven, want we hebben het. Ja, want kijk, het bloed van Jezus dat is wat ànders dan het bloed van Christus. Even goed doordenken. Het bloed van Jezus dat was het natuurlijke bloed dat ze eruit geslagen hebben. En waarvoor hij gehangen heeft. Dat is het natuurlijke bloed van Jezus geweest en ook zijn lichaam. Hij is voor een groot deel vernield. Hij was hartstikke dood. Ik heb het nu niet over het bloed van Jezus, maar over het bloed van de Chrìstus. Dat is het levende, wat door de Christus stroomt. Wij hebben gemeenschap met dàt bloed, zegt Paulus, en met dat lichaam. De Christus is een en al brood en wijn. En wij zijn het. Wij zijn het, man, het is zo heerlijk om daarover door te denken, want wij zijn ook geroepen namens Jezus om de wereld met God te verzoenen en je wijst op die staak, die vloek die hij gedragen heeft, maar je geeft ze het leven. Want daar achter die tekst, van dat stukje over die staak van Mozes, dat Jezus aanhaalt, (hij zegt, de zoon des mensen moet ook verhoogd worden) daar staat pal achter: want zo lief heeft God de wereld gehad. En altijd wordt die tekst het meeste aangehaald, maar men vergeet die eerste te noemen. Hij heeft zijn eerstgeboren zoon daaraan gegeven. Hij heeft hem ook gegeven aan de wereld en zo geeft God ook zijn andere kinderen aan de wereld, opdat een iegelijk die hen gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Zo eerste, zo laatste.
 
Nou ik heb het belangrijkste wel gezegd. Deze was een aardige tekst: Wie een oor heeft die hore wat de geest tot de gemeente zegt.
 
Er moet nog een tekst bij. Openbaringen 2: 17. Het is heel belangrijk om te horen.
Wie een oor heeft……Dat moest het volk Israël nog leren: hoe luister je, wat de Geest
Wie een oor heeft, die hoort wat de Geest tot de gemeente zegt.
Wie overwint zal ik van het verborgen manna geven. Het verborgen manna zit binnen in u. Wat zeg ik: Je bènt het. Je bènt Gods brood, je bènt Gods wijn. Daar worden de mensen vrolijk van en daar wordt hun honger van gestild. Het verborgen manna en ook een wit steentje. Ik zal dat even uitleggen van dat witte steentje. Sommigen maken er een grafsteen van, in het wit, vreselijk. Bij de rechtspraak ging het om een uitspraak, een witte steen en een zwarte steen. Als het een witte steen was, eigenlijk staat er een glanzend wit steentje, die was onschuldig. Vrij! Onschuldig! Nou, als dat toch het Leitmotiv van je leven is, je wandelt in pure onschuld, dat kan ik je wel vertellen, dat dat aangevallen wordt. Of wou jij beweren dat jij……ja…..of heb jij nooit wat uitgevroten…jawel, maar dat is vergeven, ik ben nu onschuldig. Een ander heeft voor mij de straf gedragen. Nou wat een heerlijke boodschap is dat. Ik moet nog altijd denken aan de begrafenisdienst van onze zuster. Er was een zee van witte bloemen. Het merkwaardige was, het waren allemaal witte rozen en daar lag één bosje rode rozen toevallig tussen. Het leken wel bloeddruppels. Toen had ik de tranen in de ogen staan. Ik denk, dank zij het bloed van het lam krijg je allemaal een witte ziel. Mooi hè. De ruiters in Openbaringen, allemaal in het wit gekleed, eentje in het rood, de voorste. Een mantel, in het rood en dank zij die hebben we allemaal prachtige klederen gekregen.
 
Het gaat mij hier vandaag om het verborgen manna. Neem alsjeblief een voorbeeld aan dat volk, zegt Paulus, want in het grootste gedeelte van dat volk heeft God totaal geen behagen gehad. Wist je dat? In het grootste gedeelte heeft God geen behagen gehad. Nog erger, er is een gemeente, daarvan zegt ie, jullie zijn niet heet en niet koud, ik spuug je uit. Daar staat letterlijk: ik kots je, ik kots van je. Wat moet ik, je ligt me veel te zwaar op de maag, ik vind het helemaal niks! In het merendeel geen behagen gehad. Wat afschuwelijk, wat verdrietig voor God. Ja, zegt Paulus, het is ons tot voorbeeld geschied. Ze willen wel dansen en zingen en springen en omvallen, maar ze gingen er allemaal mooi aan. Jezus zegt niet voor niks, jongens, ogen open.
Waakt, bidt dat je niet in verzoeking komt. Hou dat vast, dat je brood en wijn bent namens de Vader en namens de Zoon voor de hele schepping.
Ja, dan kunnen we de hele wereld verder gaan verzoenen met God.
 
 
Amen