Friday, April 19, 2019

“He’s got the whole wide world in His hands”

Text Size

Kom je toe aan relatie - 1 Samuël 14 - Jan Fluit
 
Beste broeder en zuster.
Fijn om weer gedachten te delen. Wat hebben we al veel gedeeld in de loop van de jaren en wat heeft God al veel met ons gedeeld. Dan ben ik er wel eens heel nieuwsgierig, wat doet dat nou met jezelf. Wat doet dat spreken van de Heer met jou in je leven, dan bedoel ik in de praktijk van elke dag. Wat heeft dat uitgewerkt, of doe je er niks mee. Is het alleen maar een vaste gewoonte geworden om naar een samenkomst of Bijbelstudiegroep te gaan en mooie gedachten te horen, en blijft het dan bij die gewoonte, of haal je die woorden naar binnen,en  leidt het tot heel veel relatie met God. Vandaar ook het thema van deze preek: Kom je toe aan relatie?
 
Er is zoveel waar je mee bezig kan zijn, er komt zo ontzettend veel op mensen af, dat het bezig zijn met het geloof iets kan worden waar maar weinig inspiratie meer vanuit gaat. Of wordt het een relatie waar ik me helemaal kan uitleven, in welke situatie dan ook, God zo dichtbij. Ik wil ontzettend graag dat deze preek bijdraagt aan heel veel relatie tussen Vader en jezelf, tussen Jezus en jezelf, maar ook tussen mensen onderling. Tussen echtparen bijvoorbeeld, want ik vind dat er veel te vaak onenigheid en afstand in huwelijken ontstaat zijn. Er worden heel wat boze woorden gewisseld tussen mensen, die toch ooit tegen elkaar gezegd hebben dat er geen beter, mooier en liever persoon was dan die ander. Maar dit gebeurd ook in tal van andere relaties. Deze wereld heeft behoefte aan mensen die een relatie aangaan met God en dat uitleven en zich daarbij niet af laten leiden door degene die af wil leiden, de boze, tegenstander van liefde en leven.
 
Ik heb in dat verband een mooi verhaal gevonden in 1 Samuel. Het gaat grotendeels over 1 Sam 14 en ook enkele verzen uit  hoofdstuk 13. Het is het verhaal van de heldendaad van Jonatan. 1. Sam 14:1. Op zekere dag zei Jonatan, de zoon van Saul, tot zijn wapendrager: Kom, laten wij oversteken naar de wachtpost der Filistijnen aan gindse zijde. Maar zijn vader deelde hij het niet mee.
Kom laat ons oversteken naar de wachtpost van de Filistijnen. Wat was er aan de hand? De Filistijnen trokken op tegen Israël met een enorme legermacht  Ze hadden zich verzameld om tegen Israel te strijden, drieduizend wagens, zesduizend ruiters en voetvolk even talrijk als het zand aan de oever der zee. (1Sam. 13:5) Koning Saul had opdracht gekregen van Samuel om op hem te wachten in Gilgal, daar zou Samuel na zeven dagen komen  om brandoffers en vredeoffers te offeren en daar zou hij ook aan Saul vertellen wat hij moest doen. (1Sam. 10:8)  Maar toen Samuel er op de zevende dag nog niet was en het volk begon weg te lopen ging Saul zelf offeren.(1Sam 13:8,9) Saul dacht: Regels zijn regels, het moet gebeuren, als Samuel dan niet komt dan doe ik het wel. Dat lijkt doortastend, maar het was een zaak van ongehoorzaamheid. Dat zegt Samuel ook tegen hem: “Wat heb je nou gedaan”. Dan komt Sual met het verwijt aan het adres van Samuel: “Jij was te laat”. Dat is eigenlijk nog steeds heel actueel. Als het niet precies volgens de regels zoals wij die bedacht hebben gaat, dan neem je het de ander heel erg kwalijk, terwijl het zo goed is om gewoon maar te wachten en de ruimte te geven aan een God die zegt: “Ik heb toch gezegd dat ik voor jou zal zorgen”, En niet: “Als je je maar helemaal aan allerlei regeltjes houdt. Vaak is dat net als in dit verhaal een gevolg van angst en een gebrek aan vertrouwen Daar kun je zoveel door verliezen en in verliezen, ook in een relatie. Bedenk maar eens: Hoeveel ruzies zouden er gekomen zijn vanwege de tijd en dat de afspraak niet helemaal op tijd verliep? Alles moet volgens de vastgestelde normen, en anders gaat het helemaal mis binnen die relatie, terwijl je daarvoor gezegd had, we kunnen alles van elkaar verdragen. Maar dat blijkt dus niet waar te zijn. We leven in een maatschappij, vooral in het westen, waarin we door de klok geregeerd worden en niet door het feit dat je een ander de ruimte geeft die je zelf ook zo graag wilt hebben.
 
Denkend vanuit de kant van God werkt zo anders! Er is een lied met de tekst: wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat is een hele slechte vertaling van wat Jezus gezegd heeft. Want dit is allemaal NIET, want gij Niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander Niet. Maar dat heeft Jezus helemaal niet gezegd. Hij zegt: “Wat jij graag wilt dat een ander jou doet, doe jij hun evenzo” (Lucas 6:31). Dat is positief actief. Wat jij nou zo graag wilt dat bij jou gebeurt, nog los van het feit óf het bij jou gebeurt, doe dat dan bij de ander.
Verder met het verhaal. En er is dus van alles gelegerd tegen Saul, tegen Jonatan, tegen de Israëlieten, heel veel wat wil overwinnen en dan staat er in hoofdstuk 13:17 dat  er ook nog een keer plunderaars uit de legerplaats van de Filistijnen optrekken, in drie afdelingen, om Israël te belagen. Ik wil dit net als het overige in dit verhaal toepassen als geestelijk beeld voor ons leven. Plunderaars, ken je dat? Dat er geplunderd wordt in je vrede en je rust? Er wordt van alles van je gestolen: Vrede, rust en harmonie en je schuldloosheid, wat ook zo belangrijk is. Schuld, schuldgevoel en onvrede komen er voor in plaats. Hierdoor wordt je een getekend en geketend mens. Ik zou het zo mooi vinden als we hier in de zaal met mensen zouden zitten, waarbij we tegen elkaar zouden zeggen: kennen jullie schuldgevoel? En dat we met elkaar zouden zeggen: nee wat is dat? Schuldgevoel? Dat zou gaaf zijn. We hebben er allemaal mee te maken. We hadden het anders moeten doen, mensen met schuldgevoel zijn voortdurend bezig zich af te vragen of ze wel voldoen aan de eis van de ander. Het ergste is als dat op religieus vlak gebeurd. Dat je dingen doet waarvan je denkt: de ander verwacht dat van mij. Dat zou ik kunnen doen terwijl ik hier spreek. Waarom sta ik hier? Nou, omdat ik uitgenodigd ben om jullie een verhaal te vertellen, ook wel preek genoemd, hoewel ik ben niet zo blij met dat woord. Ik ben niet zo’n preker, maar ik wil liever een verhaal vertellen. Daarom sta ik hier. Nou dat moet ik keurig en netjes doen, me goed aan de tijd houden, precies de goede dingen zeggen en als ik dat allemaal zeg, dan zeggen jullie daarna misschien wel: “Goed gedaan, Jan”. Maar dan doe ik het vanuit de regeltjes waar ik mij aan moet houden.
 
Of mag ik spreken vanuit het leven dat God me geeft en mag ik misschien soms zelf wel spreken vanuit datgene waar je zwak in bent, je twijfels hebt, waar moeite is. Er is zo’n behoefte aan echtheid, aan gewoon eerlijk naar jezelf te zijn, aan zwak mogen zijn. Ja maar met God ben je toch sterk? Ja, zeker weten. Met Hem zijn we sterk. Maar soms ben je zelf zo zwak en zo ten einde raad,. durf je er dan ook nog te zijn, durf je dat te zeggen, of ben je dan bang dat de ander denkt dat jij tegenvalt bijvoorbeeld. Er speelt zich wat af in gedachten. Als er dan zo geplunderd wordt dan moet je er wat tegenover stellen. Nou zij konden er niet zoveel tegenover stellen. Er komt nog een heel raar gedeelte in dat verhaal, in hoofdstuk 13:19: Een smid was er niet te vinden in het gehele land van Israël, want de Filistijnen hadden gezegd: De Hebreeën mogen zich geen zwaarden of speren maken. Dus moesten al die Israëlieten naar de Filistijnen gaan om ieder zijn zeis, zijn ploegschaar, zijn bijl of zijn sikkel laten scherpen. Dat was vreselijk duur, staat er dan, en alleen Saul en Jonatan waren nog gewapend. De Filistijnen hadden gezegd dat ze geen wapens mochten hebben, DUS hadden ze geen wapens. En dat kan ik niet uitstaan, dan denk ik, doe niet zo gèk, dat is toch niet te geloven dat je tegen het leger van een bepaald land zegt, je mag geen zwaarden en speren hebben. Als je nog wat wilt dan kun je het landbouwgereedschap nog een beetje scherpen bij ons en dat is het dan. Dus de vijand maakt uit of ik al dan niet gewapend ben. Het lijkt me logisch dat de vijand zegt je mag geen wapens hebben. Maar dat DUS staat me niet aan. Zij hebben gezegd: niet gewapend, en dùs ben ik niet gewapend. Zij willen het niet. Dat lijkt toch zo raar. Maar dat gebeurt  misschien in je eigen leven ook wel. Dat er zoveel argumenten zijn tegen je, in jouw situatie, dat je je wapens kwijt raakt. Dat is erg hé, zo erg als ik geen weerwoord meer heb, als ik mezelf verlies. Of als ik te maken heb met mensen om me heen waarop ik bouwde en vertrouwde en die laten het zitten en dat ik dan denk, dan laat ik het ook maar zitten. Dat een Jonatan te maken heeft met zijn vader, die wel goed op weg was maar vervolgens die weg kwijt raakt. Ja, wat moet ik dan nog? Hoe erg kan je je verliezen door datgene wat de vijand inde geestelijke wereld zegt, maar niet zo nadrukkelijk misschien in de zin van: ik ben je vijand ik neem je je wapens af, maar dat je van lieverlee dingen kwijt raakt. Dat je misschien meegaat in een gedachtewereld, die zegt, dat het geleidelijk aan allemaal wat minder wordt. We hebben allemaal onze teleurstellingen, nou, waar blijf je dan nog. Meegaan in dat soort gedachten.
 
Dat iemand een tijdje geleden nog tegen me zei: “Ja, in het begin, als je een nieuw leven met de Heer krijgt dat is allemaal nieuw en fris en mooi en prachtig en daar kun je dan uitbundig en blij mee leven, maar zo geleidelijk aan vlakt dat allemaal een beetje af”.
Nou daar kom ik tegen in opstand: hoezo het vlakt geleidelijk aan een beetje af! Het wordt steeds mooier, volwassener! Meer in balans. Of wat wel een keer tegen mij gezegd is: “Jan, weet wat jij bent? Een idealist”. Dan denk ik: YES!! Want dat ben ik ook. Ik ben een idealist en dat wil ik blijven ook. Een mens met idealen. Maar dan idealen die zich ontwikkelen in een relatie met de Vader. Als ik nadenk over Jezus, wat was nou zijn grote kenmerk? Dat was zijn relatie. Hij was zo dicht bij Vader, dichterbij kon niet. Hij was aan de boezem van de Vader. Wat de Vader zei dat sprak hij en wat afweek van het spreken van de Vader, dat sprak hij niet, dat accepteerde hij ook niet. Dat is nog eens vrijheid! Ja zo ver zijn wij nog niet, kan je dan zeggen en vervolgens laat je je wapens afpakken. Of zeg je, ik ben dat aan het leren om zo dicht mogelijk bij Vader te blijven, te allen tijde. Daar mijn troost en moed vandaan te halen, daar leven te ontdekken en dan kunnen de Filistijnen zeggen wat ze willen, maar dat is dan niet meer bepalend. Het valt me op hoe het hier staat. Er staat in vers 20 letterlijk: dus moesten alle Israëlieten naar de Filistijnen. In onze taal bestaat dat ook al: naar de Filistijnen gaan en dan betekend dan dat je ten onder gaat. Ze moesten naar de Filistijnen, dan ga je naar de Filistijnen, daar heb je helemaal niets in te brengen, er blijft helemaal niets over van jezelf. Maar het mooie is dat Jonatan zegt “Ik ga naar de Filistijnen”. Maar dat is met een heel andere houding: ik ga naar de Filistijnen. Kom op! Het is mijn keuze om naar hen toe te gaan. Niet als een slaafje om te vragen of ze misschien wat voor me willen doen, of ze asjeblieft wat barmhartigheid willen schenken. Want dat willen ze niet! Ga nooit bij de duivel om genade vragen want hij geeft het niet. God wel. Royaal. Veel. Hoog. Groot.
 
We zijn weer terug bij het uitgangspunt: 1 Samuel 14:1 Kom laten we oversteken naar de wachtpost der Filistijnen aan gindse zijde. En hij vertelt het niet aan zijn vader.
Waarom niet? Nou, sommige dingen, die kunnen je afhankelijk maken van de ander en van de vrees en het tekort van de ander, maar dan kun beter zelf voor het leven gaan. Dat betekend niet dat je de ander gaat afkeuren, nee dat je misschien zelfs wel de ruimte geeft voor de ander, door de stappen die jij zet. Alsmaar blijven wachten of de ander het ook doet, kan wel eens lang wachten worden. Dus zet je zelf stappen, of niet? Wat ik ook zo opmerkelijk vind, zoals het hier staat in hoofdstuk 14:2 Saul nu zat aan de grens van Gibea onder de granaatappelboom. Maar dat neem ik nu ook maar heel letterlijk. Saul zat aan zijn grens, aan de grenzen van zijn mogelijkheden. En, Saul was aan het tellen geslagen en hij zag zoveel tegenstand, dat hij de medestander eigenlijk niet meer in de gaten had. Saul zat in het doemdenken. Saul zat ook in het schuldgevoel, was het al niet over hemzelf dan toch over de ander. En omdat hij op die manier dacht, ook al had hij nog wel wapens, hij gebruikte ze niet meer. Hij gebruikte de woorden van God niet meer en de ruimte van God niet meer, en hij kwam niet verder. Waarom niet? Als je gaat tellen wat tegen is en gaat tellen wat mee is, dan kom je soms tot de ontdekking dat je in de minderheid bent. Een beetje het Gideon-principe. Wat tegen is, dat is meer dan wat mee is en dan zou het je het niet kunnen redden. Bij Gideon, dat blijf ik zo’n boeiend verhaal vinden, dan zegt God: “Het zijn er teveel. Doe nog maar minder, want anders ga je misschien toch zeggen: Moet je toch es even kijken, hoe flink wij dat met elkaar voor elkaar gespeeld hebben. Oh oh oh, wat zijn we toch krachtig en sterk maar dan wordt het opeens JIJZELF. Terwijl kracht zit in die relatie waarin God voor je zorgt, wat wij vanmorgen zongen: Genade. Ik had, dat mag je best weten, vroeger een hekel aan het woord “genade”. Dat kwam omdat dat woord vaak gebruikt werd om te laten zien dat je zelf niets voorstelde en dat God eventueel nog wel bereid was om wat voor je te doen. Maar ik ben het zo gaan herwaarderen. Helemaal afhankelijk zijn van iemand die zegt: ik zorg van voor je, ik steun je, ik ben je kracht. En dat geef ik je als geschenk, gratis!
 
Dat optrekken van Jonatan, ja, dat is ook wat. Dat hij zegt: nou dan ga ik maar met alleen mijn wapendrager. Ze moesten oversteken, staat in vers 4, tussen bergpassen. Aan weerszijden was een rotspunt. De ene heette Boses, de andere Senne. Boses betekend glibberig en Senne is doornstruik. Dus je moet tussen het  glibberige geklets van de tegenstander door: leugens die bedoelt zijn om je uit te laten glijden, je te laten vallen. En het stekelige van de tegenstander de irritaties in het leven, daar moet je tussen door. Hoe moeilijk kun je het hebben.
Andere vraag: hoe moeilijk had Jonatan het in die situatie? Hij zegt tegen zijn wapendrager in 4:6: “Kom laten wij oversteken naar de wachtpost van deze onbesnedenen. Misschien zal de Heer voor ons handelen, want de Heer kan evengoed verlossen door weinigen als door velen”!!
Daar zit de sleutel! De Heer kan net zo goed verlossen door weinigen als door velen. Hij hanteerde geen telraam, hij hanteerde niet een uitrekenen wat er allemaal tegen was of wat iemand wel eens gezegd heeft: “Ja, wij kunnen de tegenstander, de duivel wel willen bestrijden, maar die heeft zoveel duizenden jaren ervaring, wat kunnen wij daar tegenover stellen”. Niet doen, niet doen. Want degene die aan je kant staat, Jezus, die heeft nog veel meer ervaring. Dus, bij wie sluit ik mij aan. Wie is mijn uitgangspunt, wie is mijn kracht.
Nu zegt de wapendrager tegen hem in vers 7: “Doe al wat uw hart begeert; ga uw gang, want ik ben met u wat ook uw hart begeert”. Je wapendrager. Wie is eigenlijk mijn wapendrager? Ik denk dat de Heer dat zelf is. Toen ik daar over nadacht, dacht ik, kan je dat wel zeggen? De Heer is mijn wapendrager? Ja, net zo goed als het omgekeerde ook waar is. Ik wil ook zijn wapens van gerechtigheid en waarheid dragen. Maar Hij draagt dat zó met je mee, Hij draagt zó zijn woorden en zijn gedachten en liefde met je mee, Hij draagt dat voor je, geeft dat aan je, openbaart dat aan je.
Dan zegt Jonatan in vers 8en 9: “Wij steken naar die mannen over en vertonen ons aan hen. Indien zij tot ons zeggen: Blijft staan, tot wij bij u komen – dan blijven wij staan waar wij zijn en klimmen niet tot hen op; maar indien zij zeggen: klimt tot ons op – dan zullen wij opklimmen, want dan heeft de Heer hen in onze macht gegeven. Dit zal voor ons het teken zijn”.
Dat lijkt van die omgekeerde logica. Hij kiest hier echt de moeilijkste kant. Het zou toch veiliger zijn, als ze zouden zeggen, blijf staan totdat wij bij u komen. Want dan konden ze altijd nog vluchten? Maar opklimmen! Als er een ding is wat je niet moet doen met zijn tweetjes, dan is dat, naar een vijand opklimmen. Want als die een paar steentjes naar beneden  gooien dan je bent verslagen, toch?
Maar hij kiest de kant van het vertrouwen, hij kiest de kant van God die met je meegaat en de ruimte geeft om te zijn wie je bent temidden van situaties. Ook het principe van opklimmen, alleen al voor je gevoel, ben je een opklimmer of ben je iemand die de confrontatie uit de weg gaat. Hoe erg word je geleefd door angst en door veroordeling en door: ik voldoe toch nooit aan….Het lukt me toch niet, ik ben daar te zwak voor. Waar word je door geleefd? Klim je elke keer op naar datgene wat God je geeft, midden in je leven, midden in de praktijk van elke dag. Het mag hoor en laten we asjeblieft afstappen van een geloof waarin je het zelf maar moet doen.
 
Soms lijkt het christelijk geloof nog veel te veel op allerlei soorten religie. Heel veel soorten van religie, die hebben toch als uitgangspunt: als ik het nou maar precies goed doe elke dag en in alle dingen en als ik maar precies voldoe aan de taken die God mij stelt. Dat kan zijn 5 x op een matje op je knieën, of je van  dingen te onthouden… Maar in het christelijk bestaan ook, als ik maar precies goed bid en precies het goede geloof en precies op het goede moment de goede dingen doe, nou, nou dan wil God misschien wel voor me zorgen. Weet je wat de ellende daarvan is, op het moment dat de dingen misgaan, voelen de mensen zich in de steek gelaten door God en kan God niet meer bij de mensen komen. Niet omdat Hij hen in de steek laat, maar dan verlies je je vriend juist op het moment dat je hem het hardste nodig hebt. God is geen God van wisselgeld. Hij is geen God die zegt :”Als je het goed genoeg gedaan hebt, dan ben ik wel bereid van jou te houden”. Zijn uitgangspunt is:” Ik hou van jou”!! Met heel mijn wezen hou ik van jou. Wil ik je tot je recht laten komen. Wil ik je mens laten zijn. Wil ik je laten opklimmen in mijn gedachten. Dat is onze relatie en niet: als ik maar een perfect christelijk leven leid. Want daar zit een aanklager tussen, en echt hoor, Jezus had het niet duidelijker kunnen zeggen: satan, die dag en nacht aanklaagt. Nooit goed, nooit voldoende, altijd anders hebben moeten doen. Maar die God van dichtbij, die God die jou laat wandelen in schuldloosheid, in eigenheid en zo onafhankelijk als wat, juist omdat je helemaal afhankelijk bent van Hem, wat geeft dat een ruimte. En dan moet je door dingen heen, tussen dingen door die glibberig zijn, die stekelig zijn. Hij zegt: ik wijs je wel een weg, ik laat je wel opklimmen.
 
Als ze zich vertonen dan zeggen de Filistijnen in vers11: “Zie, de Hebreeën komen te voorschijn uit hun holen waarin zij zich verborgen hadden”. En dan zeggen de mannen van de wachtpost tegen Jonatan en zijn wapendrager: “Klimt tot ons op, dan zullen wij u leren”. Ja, daar is iemand die je een lesje wil leren, je wil aftuigen, zodat er niks van je overblijft. Dat je identiteit vernield wordt, kapot, stuk. Voor Jonatan was dit niet het signaal,dat hij iets van de vijand zou leren, want hij had gezegd dat dit het signaal van de overwinning was, dwars tegen de verdrukking in. Als wij op onze voeten willen gaan staan in het Koninkrijk van God, dan is dat niet bij de gratie van medewerking van de tegenstander, of van een rustige periode van de tegenstander. Maak dingen maar concreet. Ik heb het niet zo met de gedachte van het lijkt wel alsof er tegenwoordig van alles tegen is. Dat is veel te vaag. Er is tegenwoordig van alles tegen. Jezus heeft daar nooit geheimzinnig over gedaan. Hij zegt: Ze hebben mij vervolgd, dat zullen ze jou ook doen. Dus als wij uitgaan van de gedachte, nou, ik hoop dat het een klein beetje meevalt en dat we een beetje een rustige periode krijgen en dat de tegenstander zich iets terugtrekt, zodat wij het Koninkrijk van God kunnen gaan bouwen, dan raak je zo teleurgesteld. Wij bouwen het koninkrijk van God op basis van een nauwe relatie met Vader en met Jezus. En als je dat uitleeft dan komt daar zoveel leven tevoorschijn en overwinning, zoveel ruimte, zoveel goeds. Wij zullen u leren, zegt de tegenstander en Jonatan zegt: klim achter mij op want de Heer heeft hen in de macht van Israël gegeven. En dan klimmen ze, op handen en voeten, naar boven en “ze werden door Jonatan neergeveld”(vers 13). Dus niet omgekeerd, niet die tegenstander die hun zou leren. Maar zij werden neergeveld. De tegenstander, negatieve gedachten, datgene wat jouw relatie wil verstoren wordt neergeveld. De woorden die jij gelooft, door het leven dat jij vertegenwoordigt. En dan niet altijd alles precies in het zichtbare, dat je leven dan van een leien dakje gaat. Maar temidden van tegenslag, temidden van ontkenning.
 
Wij zijn geen heil voor deze wereld als we zeggen, voordat wij ons gaan inzetten voor deze wereld, zal er eerst toch wat meer samenhorigheid moeten komen. Maar ik zie het steeds minder. Ik zie steeds meer hardheid tussen mensen onderling, steeds meer onbegrip, steeds meer haat en nijd. Ik kom zoveel hardheid, zoveel negativiteit tegen, zoveel boosheid, ook boosheid om niks. Je vraagt je soms af: Hoe kun je daar nou kwaad om worden, de simpelste dingetjes en hoe kun je soms sommige mensen al helemaal afgeschreven hebben, terwijl je je helemaal niet verdiept hebt in wie die mens eigenlijk is.
Wij zijn tot heil voor deze wereld als we niet afwachten tot deze wereld verandert. Maar juist als wij te midden van hardheid en negativiteit  het leven te voorschijn roepen, juist dát de vijand uit zijn handen halen van wat hij bij elkaar liegt. Dat jij daar door heen kijkt. Jaren geleden kreeg ik een keer een beeld van iemand die een schilderij ging kopen en dat schilderij, echt, dat was zo’n knullig tekeningetje, en de koper gaf daar zo’n enorm bedrag voor uit, dat de mensen zeiden: dat is duidelijk geen kunstkenner, dat je zo’n kapitaal uitgeeft voor zo’n waardeloos prentje. Maar toen dat schilderij het eigendom van die man was, toen ging hij bezig, heel zorgvuldig, heel voorzichtig, het zichtbare deel van de schilderij weghalen, waardoor het onzichtbare, originele schilderij te voorschijn kwam. Hij wist dat daaronder een prachtig schilderij was, dat niemand zag. Dat moest heel zorgvuldig zodat het origineel niet beschadigd werd. Een schitterend schilderij zat daaronder. Dat wist hij. Hij wist wat de werkelijkheid van het schilderij was. Terwijl degene die er overheen gekliederd had, het eigenlijk waardeloos had willen maken. Zo gaat dat met mensen. Er zijn zoveel mensen afgeschreven om hun buitenkant, om wat ze doen of om wat ze niet doen, om wat ze zeggen of om wat ze niet zeggen. Zoveel mensen, door het werk van de boze, afgeschreven, zoveel prachtige schepselen, zoveel schitterende mensen. Om zoveel redenen, om hun leeftijd, om hun uitspraak, om hun huidskleur, om hun onhandigheid, om hun onwetendheid of juist omdat ze heel veel bereikt hebben. Achter al die mensen gaan zoveel mooie mensen schuil. En dan zegt God in Jesaja 49:9: “Kom te voorschijn!” Kom toch tevoorschijn en laat je niet meer overheersen door die Filistijnen, die met een voortdurende afkeuring en geweld onzichtbaar maken wat zichtbaar zou moeten zijn. Daarom ben ik zo intens blij met de Heilige Geest, die je verder laat kijken en anders laat kijken. Er wordt soms zo veel aandacht besteed aan zichtbare dingen, die iedereen wel zien kan, kies er voor dat het je niet boeit wat er over die ander gezegd wordt. Want de beschrijving van dat stomme schilderijtje, dat kan ik zelf ook wel zien dat dat er niet goed uitziet. Maar wat zit er achter. Dat wil ik tevoorschijn roepen.
 
Aan de hand van die ene overwinning komen er veel meer overwinningen. Want dat breidt zich uit. En het mooie is, en dat zie ik in de Bijbel elke keer opnieuw, in allerlei verhalen, zie je vaak één iemand die het op een gegeven moment niet meer accepteert dat de tegenstander het voor het zeggen heeft, en dat die dan vanuit het geloof wat God heeft, de tegenstander gaat bestrijden. Dat heeft tot gevolg dat de achterblijvers, die al lang niet meer in de overwinning geloven, ook in beweging komen. Ze zeggen, wat gebeurd er in de  legerplaats. Men loopt daar sidderend heen en weer (vers 16) Het blijkt dat door de actie van Jonatan de vijand in grote verwarring is geraakt. Ze bestrijden elkaar: “Het zwaard van de een was tegen de ander”. Hierdoor grijpen ook de anderen weermoed: En alle mannen van Israel, die zich verborgen hadden, sloten zich bij hen aan in de strijd. (vers 22) Sluit je maar aan bij de vernieuwing van denken die tot overwinning leidt.
 
Tijdens dit verhaal speelt er nog iets heel anders, wat ook een heel duidelijk voorbeeld is van hoe de satan werkt. Saul had over de Israëlieten een vloek uitgesproken in  4:24 : Vervloekt is de man, die spijs eet vóór de avond en voordat ik mij op mijn vijand gewroken heb. Wat een vreemde beslissing! Ga eerst de overwinning behalen en pas dan mag je gaan eten. Terwijl het normaal is dat je het van tevoren doet. Neem het ook voor jezelf als geestelijke wet, ga eerst het woord van God eten, voordat je de vijand tegemoet treed! Jonatan had dat gedaan, die had wel gegeten. Waarom? Omdat hij niet wist dat die vloek uitgesproken was. Maar ik denk dat Jonatan, al had hij het wel geweten het  nog had gedaan. Hij had met een stok, honing uit een raat gehaald en gegeten en dan staat er: zijn ogen stonden helder. Dat vind ik mooi, als je heldere ogen hebt. Een frisse kijk, geen vertroebelde blik, gewoon dingen kunnen zien zoals ze zijn. En hoe zijn die dingen? De werkelijkheid is van Christus. Dat is dan alleen nog maar een tekst. Maar laat jouw werkelijkheid van Christus zijn. En laat je niet tegenhouden door de vloek die  wil voorkomen dat je Gods woord eet. Doe datgene wat jij leeft met je God.
Op een gegeven moment  moeten ze een lot gaan werpen, wie zich bezondigd heeft, tegen die uitspraak van Saul in en dan komen ze terecht bij Jonatan. En wat zegt Saul dan? Jij moet zeker sterven.(1 Sam. 14:44) Dus Jonatan, die moet toch maar gedood worden, want die heeft het lef gehad om te gaan eten terwijl het niet mocht. En dan zie je het omgekeerde. Dan zeggen de anderen: 1 Sam. 14:45 Zou Jonatan sterven, die deze grote overwinning in Israel behaald heeft? Dat zij verre! Zo waar de Here leeft, er zal geen haar van zijn hoofd ter aarde vallen,. Want met Gods hulp heeft hij heden dit verricht. Hij redt eerst zijn landgenoten zodat hij daarna weer gered wordt door de anderen, zo werkt het. Ik vind dat zo’n mooie principe in het koninkrijk van God, dat verlosten verlossers worden.
In dit hele verhaal zien we dat overwinning begint bij een goede relatie met de Heer. Dat mag ook ons eigen uitgangspunt worden. Als een ander verkeerde keuzes maakt, dan mag jij toch blijven kiezen voor het goede. Blijf de Vader geloven. Ga zelf die relatie aan. Als je negatieve situaties als uitgangspunt neemt, ook binnen relaties, dan raak je zo het wapen van Gods woord, de waarheid kwijt. En daardoor ook de mogelijkheid van herstel en vernieuwing. Maar als je zegt, ook al zou het overal mis zijn, maar Heer ik zelf wil me zo toewijden aan u, dat het leven en mijn relaties tot zijn recht komen. Hoe? Door dat toevertrouwen. Ik vind het zo mooi dat we een Heer hebben die zegt: als je vermoeid en belast zijt, ik zal je rust geven. Kom, zegt hij dan, kom dan bij mij. Terwijl er heel veel vermoeide en belaste mensen zijn die blijven zwoegen en proberen om er in eigen kracht nog iets van te maken. Het is zoveel beter dat je ingaat op het woord: Kom. Dan ga ik je rust geven en vanuit die rust leven ontwikkelen. Wij, met elkaar, hebben het recht om rust te betekenen en rust te geven in levens van mensen en dat te verspreiden.
En loopt dan altijd alles zoals je graag wil? Afgelopen week was de begrafenis van mijn schoonzus. Dat raakt je heel diep. Je had het zo graag anders gewild. Ze was 52 jaar. En dan komen vragen. Ja, we hebben toch een geweldige God en een prachtig evangelie? Hoe kan dat nou? Met elkaar hebben we ervoor gekozen, en soms is dan de een sterker dan de ander, en dan weer omgekeerd, maar ervoor gekozen om in elk geval onze grote vriend niet te verliezen, Jezus. Dat leven te blijven vertegenwoordigen, je daaraan vasthaken en van daaruit zegenen en goed doen, woorden van God hoog houden. Hem niet verliezen en niet jouw wapens, omdat de tegenstander dat zegt van, maar juist en des te meer ze willen bewaren en bewaken en houden. Zodat je daarin met dat leven verder komt en merkt dat er toch wegen zijn om te kunnen blijven leven en meer dan dat. Om toch het principe overeind te houden: wij klimmen op, tegenstander, rover, dief, wij klimmen op vanuit een evangelie dat zo goed en zo gaaf is en dat je zo vrij maakt en wat zijn  begin vindt in relatie. In een relatie die steeds nauwer wordt. Een ding laat ik nooit van me afpakken, dat is dat God mijn vader is en Jezus mijn aller-, aller-, allerbeste vriend. Je daarin verdiepen, en je daar goed in laten doen. Er komt daar zoveel leven en warmte en troost en bemoediging uit tevoorschijn.
Daarom tot slot: Maak voor jezelf de keuze: weet je wat ik ga doen?  Ik ga naar de Filistijnen. Ja, en dan zullen ze merken wie mijn God is.
Niet zij maar Hij zal samen met ons winnen.
 
Amen.
 
Gebed
Dank u wel Vader voor een relatie, waarin u ons zoveel ruimte geeft om te leven. U doet ons door en door goed. Dank u wel dat we samen met u kunnen gaan bouwen aan onze relaties. We zijn vol verwachting van het leven wat daaruit te voorschijn komt .
Amen

Bent u aangesproken door deze preek? Geef een reactie op: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
Maak de VOX website verder bekend en geef het evangelie van Jezus Christus door!