Monday, June 24, 2019

“He’s got the whole wide world in His hands”

Text Size

Open je ogen - Numeri 13:1 - Jan Fluit
 
Ik heb een heel bijzonder verhaal voor jullie over hoe 10 mensen zo heel bepalend kunnen zijn voor 3 miljoen mensen. Ik houd van verhalen waarin een paar mensen veel andere mensen in beweging brengen. Maar dan ook om ze te vertalen naar  mijzelf,  naar de praktijk van elke dag. Dan is dit verhaal een mooi uitgangspunt om te volgen.

Alléén, het voorbeeld is helemaal niet positief! Tien verspieders houden 3 miljoen mensen tegen om het beloofde land in te gaan. Dat is raar! Eigenlijk kan dat helemaal niet. Als je daar goed over nadenkt, dat kàn helemaal niet. Je laat je toch niet met z’n 3 miljoenen door 10 mensen tegenhouden. Dat is ònbestaanbaar.

Toch staat dat in Numeri 13. Daar wil ik wat gedachten met jullie over delen, want –al is het een negatief verhaal- het boeit me wel. Hoe kan het dat zoiets gebeurt? Je kan ook bedenken: “Wat wisten ze vroeger toch weinig hè. Daar hebben wij al lang geen last meer van. Maar let dan goed op, want de principes van de tegenstander zijn nog steeds hetzelfde.

In Numeri 13:1 zegt de Heer tegen Mozes: ‘Stuur mannen voor u uit om het land Kanaän te verkennen dat ik aan de Israëlieten geven zal. U moet één man per stam van zijn vaderen sturen; elk een leider onder hen. Dan stuurt Mozes hen heen uit de woestijn Paran, op bevel van de Heer. Al die mannen waren hoofden van  de Israëlieten. Dan staat er verder in vers 17: ‘Mozes stuurde hen uit om het land Kanaän te verkennen en zeide tegen hen: Ga hier het Zuiderland in en ga dan het bergland in. Bekijk het land hoe het is en het volk dat er woont, of het sterk is of zwak, of het gering is in aantal of talrijk. En kijk hoe het land is waar het volk woont, of het goed is of slecht en hoe de steden zijn waarin het woont; of het in tentenkampen woont of  in vestingen. Kijk hoe de grond is, of die vruchtbaar is of schraal en of er bomen zijn of niet. Vat moed en neem wat van de vruchten van het land mee. Die dagen waren namelijk juist de dagen van de eerste vruchten van de druiven.’
 
Eerst tot zover. We hebben al een paar heel belangrijke zinnen gehad en de belangrijkste, die staat gelijk aan het begin: ‘Stuur mannen naar het land Kanaän om het te verkennen’ en dan staat er:  ‘dat Ik aan de Israëlieten geven zal’. Dus de uitkomst stond al vast. ‘Ga het land verkennen dat Ik géven zal. Ga dat nou doen’. En dat werd dus niet tegen de eerste de beste gezegd, maar tegen de leiders van elke stam. In een andere vertaling staat: ‘aan de koningen van elke stam’. Ja, dat willen we graag zijn: koningen, priesters en groot en sterk. Nou, dat waren deze mensen. Die waren bewezen sterk te zijn. Dus die kon je ook sturen om een boodschap. Of niet soms? Die hadden getoond het vermogen te hebben om goed te kijken en goed te luisteren en de ogen echt goed open te doen; om zich heen te kijken. En wat ik dan mooi vind: als ze uitgezonden worden, dan staat er ook: ‘Ga nou ook echt álles bekijken’. Niet alleen de vruchten; dat spreekt ons aan, maar ga álles bekijken. Ga ook kijken wat er voor tegenstand  is. Ga kijken of er vijanden zitten,  of  ze sterk zijn, of ze zwak zijn. Ga de steden bekijken, of die ommuurd zijn, of dat je er zomaar naar binnen kunt gaan. Ga het bekijken!
 
Dus God zegt dus niet: ‘Nou Ik wil, als jij het leven doorgaat en als je zaken gaat verkennen, dat je met oogkleppen op alleen maar kijkt op de manier van:  “Nou alles is positief en dan word ik een positieve denker en de rest die zie ik gewoon niet”. Hij zegt: ‘Bekijk álles! Bekijk alles, met het doel dat alles wat je gaat zien -ook wat nu nog in bezit is van de vijand -   alles wat je gaat zien wordt van jou!
Dus je gaat kijken met ogen zoals God dat gezegd heeft, zoals Hij beloofd heeft. Je gaat kijken aan de hand van een belofte, aan de hand van een zekerheid: Hij heeft gezegd. En dan niet met de gedachte: Hij heeft gezegd en Hij heeft er geloof in, dan moet Hij het maar doen. Maar met het uitgangspunt: Hij heeft er geloof in, dus jij gaat het doen. Voor jou wordt zichtbaar - vol verwondering - wat God beloofd heeft en dan kom je zaken tegen die prachtig zijn: vruchten. Een druiventros, die je met z’n tweeën tillen moet. Die zou ik wel eens willen zien, dat lijkt me wat! Een druiventros, met z’n tweeën,  aan een stok, op de schouder. Ik weet wel wie die druiventros meegenomen hebben. Dat zijn Jozua en Kaleb. Want er gingen geen 10 verspieders, maar er gingen er 12. En Jozua en Kaleb die zaten aan de kant van het geloof en de andere10,  die zaten aan de kant van het ongeloof, van verkeerde conclusies, van verkeerd kijken.
‘Ze gingen op weg (vers 21), en verkenden het land. Ze gingen naar het Zuiderland en kwamen tot aan Hebron. Daar woonden Achiman, Sesai, Talmai, nakomelingen van Enak. Hebron nu was 7 jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte. Daarna kwamen ze in het dal Eskol. Ze sneden daar een rank af met één tros druiven, die ze met z’n tweeën aan een draagstok moesten dragen. Ook namen ze wat granaatappels en wat vijgen mee. Die plaats noemde men het dal Eskol vanwege de tros die de Israëlieten daar afgesneden hadden.’

Nou, dan komen ze terug na ongeveer 40 dagen. Je zou kunnen zeggen: na een tijd van beproeving; na een tijd van verkenning; na een tijd van ontdekking.
Ze komen bij Mozes, bij  heel de gemeente in Israël, in de woestijn Paran bij Kades en ze brachten aan hen en heel de gemeenschap verslag uit en toonden hen de vruchten van het land. Ze vertelden het Mozes en Aaron en de gehele vergadering der Israëlieten en zeiden: Wij zijn in dat land gekomen waarheen u ons gestuurd hebt en werkelijk, het vloeit over van melk en honig en dit is zijn vrucht. Het volk echter, dat in dat land woont, is sterk en de steden zijn versterkt en heel groot en ook hebben we daar nakomelingen van Enak gezien.’

Nou, dan gaan ze vertellen waar de volken wonen en dan wordt iedereen onrustig. Dan probeert Kaleb het volk tegenover Mozes tot bedaren te brengen, hij zegt: Laten we vrijmoedig optrekken. We zullen het land in bezit nemen, want we zullen het zeker overmeesteren. Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren zeiden: We kunnen tegen dat volk niet optrekken. Het is sterker dan  wij.’

Dan denk je: Wat is er gebeurd? Twaalf mensen hebben exact hetzelfde gezien, toch? Ze zijn samen opgetrokken, ze hebben allemaal hetzelfde gezien. En twee hebben een afwijkende mening. Die twee zeggen niet: “Er zijn geen versterkte steden”. Maar die twee zeggen: “ God is met ons en het is een prachtig land.” Als je kijkt hoe dat gezegd wordt….In een andere vertaling staat: ‘Werkelijk, het vloeit over van melk en honing’ en dan staat er in vers 28: ‘Maar er is een ijzersterke gemeenschap, de steden die zijn vestingen en ze zijn buitengewoon groot’. Dat is hun conclusie. Soms zie je in een positieve tekst al een enorme ontkenning, dan wordt er gezegd: “Ja, het is wel waar. We hebben wel een mooi evangelie. Zeker wel. De Heer heeft wel mooie beloften gegeven, ja dat is wel zo…” Nou, dan voel je het negatieve al aankomen ! “Maar ik zit nou in een situatie…nou, dat komt helemaal niet goed”. Dus je hebt de inleidende tekst over een grote God, maar het vervolg gaat altijd over een kleine jou. Jij bent zo klein en het lukt helemaal niet en opeens ben je alleen aan het praten over jezelf en over wat jij niet kan. Nou is het prima dat je praat over wat jij niet kan. Het is prima om je zwakte te laten zien en om te laten zien dat je lang niet alles aan kan. Maar het gaat om het vervolg! Als ik alleen naar mezelf kijk, zonder de Vader en zonder Jezus en ik zeg dan: “Er komt niet veel van me terecht”, dan heb ik gewoon gelijk. Heeft Jezus niet zelf gezegd: “Zonder mij kun je niets doen?”.Maar als ik Hem erbij betrek en Zijn vermogen neerzet zoals Hij het zelf gedaan heeft; als ik daar mijn ogen voor open, dan krijg je een buitengewoon boeiend leven. En dat blijft! Wat mij opvalt – ik ben 61 jaar –en sinds ik 60 geworden ben, krijg ik allerlei opmerkingen te horen in de trant  van:  “Hoe lang moet je nog?” . Dat klinkt heel dramatisch. “Hoe lang moet je nog? Hoe lang heb je nog?”  Ik heb nog heel lang te gaan. Maar dan moet je al bijna afbouwen, want je kan van alles niet meer. Nou reken maar dat ik nog van alles kan en dat ik daar ook mee doorga. Ook al loop ik niet meer als een haas. Ik las laatst – dat vond ik heel mooi – zo’n oneliner: ‘Als je over de top bent, dan komt de snelheid er pas goed in’. Ja toch? Hoe kijk je? Ik kan me laten verblinden door allerlei ontkenning. Maar hoe kijk je, hoe denk je, hoe leef je, hoe constateer je?  Je kan er van álles bij bedenken, maar je kan beter teruggaan naar de basis van het geloof wat God heeft.
 
Ik las een leuk verhaal over hoe verschillend je met dingen om kunt gaan en dat wil ik jullie toch niet onthouden.
Sherlock Holmes en dokter Watson gingen kamperen.  Na een stevige maaltijd en een fles wijn gingen ze slapen. Enkele uren later werd Holmes wakker en stootte hij zijn trouwe metgezel aan. “Watson, kijk eens naar de lucht en vertel me wat je ziet”. Watson antwoordde: “Ik zie miljoenen en nog eens miljoenen sterren.” “Wat concludeer je daaruit?” Watson dacht even na. “Eeemh…astronomisch gezien concludeer ik dat er miljoenen melkwegstelsels en mogelijk miljarden planeten zijn. Astrologisch gezien neem ik waar dat Saturnus in de leeuw staat. Logisch gezien deduceer ik dat het ongeveer kwart over drie is. Theologisch gezien, kan ik zien dat God almachtig is en dat wij klein en onbeduidend zijn. Metrologisch gezien vermoed ik dat we morgen mooi weer hebben. Wat concludeer jij?” Holmes was even stil en zei toen: “Ik concludeer dat één of andere dief onze tent heeft gestolen.”

Ja, je kan zaken ingewikkeld maken, je kan ze ook eenvoudiger maken. En ik geloof dat God een God is van de eenvoud, van echtheid en van waarheid, van leven en van ontdekking en dat bevalt zo goed.
Vanmorgen zagen we hier een prachtige foto van kleine baby Daan. Ik ben zelf inmiddels drie keer opa, onlangs weer geworden. Alle vooroordelen over opa’s kloppen, wat mij betreft. Ja, prachtig, schitterend. Je kan zeggen: “Wat moeten die kleine kinderen nog veel leren”. Ja, maar wat leer ik veel van die kleine kinderen. De spontaniteit, de echtheid. Ze vragen zich bij niets af: “Kan ik dit wel maken? Is dat gek? Is dat raar? Wat zullen ze er wel van vinden?”. Ze leven, ze leven zich uit. En laat nou juist zulke kleine kinderen door Jezus tot voorbeeld gezet zijn. We leven in zo’n rare wereld met zoveel reuzen van problemen en zoveel moeilijke dingen waarvan we vaak gesteld hebben: ”Daar komen we niet doorheen”. En soms zijn we daarop ons evangelie aan het aanpassen. Ik  heb wel eens gezegd: ik ben uit een religieuze traditie gekomen waarin voortdurend verteld werd – bijna elke zondag – dat we als mens weinig voorstellen. We deugden niet, we waren zondaar tot de dood, de beste dingen waren met zonde bevlekt en al dat soort negativiteit nog meer. Dan maak je een overstap naar het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, maar als je niet oppast dan ga je het vervolgens invullen : “Ja, dat is allemaal wel waar en we hebben wel een mooi evangelie, maar….kijk de duivel zit ook niet stil en die wil niet dat we dit en die wil niet dat we dat doen, die wil niet dat we ontwikkelen. En we hebben ook nog te maken met de krassen uit het verleden”. En voor elke ellende hebben we dan een excuus dat dat komt door... nou, vul maar in. En straks dan ben ik nog een soort gebondene voor het leven; of iemand die met zijn verleden zit, als het gaat over de toekomst. En ik wil dat niet! Ik wil leven! “Dan heb je zeker weinig meegemaakt”, dat hoor ik dan wel eens. “Jij hebt makkelijk praten”. Maar iemand die dat tegen je zegt: “Jij hebt makkelijk praten”, die is zelf in elk geval verstrengeld in dingen die hem heel erg geraakt hebben en dat kan verschrikkelijk zijn, vreselijk zijn, wat mensen meemaken. En die blijven dan slachtoffer van datgene wat ze gezien hebben, écht waar gezien hebben. Dat valt me wel eens op:  als je komt met de uitdaging van het leven, dat de ander dan gaat vertellen dat het echt niet meevalt wat hij of zij heeft meegemaakt. Geloof ik dat? Ja, dat geloof ik. Zelf wel eens iets meegemaakt? Ja, zelf al wat meegemaakt. Als ik bijvoorbeeld zou moeten stellen, dat mijn jeugd uiteindelijk bepalend is voor mijn toekomst, dan heb ik niet zoveel toekomst. Ik had geen vrienden, maakte veel narigheid mee thuis. Als ik daar mijn toekomst aan verbind… Sterker nog, ik heb ooit horen zeggen – toen was ik nog geen vader – toen zei een keer iemand: “Als je zelf geen goede vader gehad hebt, zal je nooit een goede vader zijn.”
Nou, ik had geen goede vader. Dan ligt mijn toekomst dus vast? Weet u wat zo leuk is? Ik ben wel een goede vader geworden, ja, een hele goeie. Alles goed gedaan? Nee, niet alles, maar wat houdt ik van onze kinderen en wat heb ik van hen genoten en dat doe ik nog steeds! En zij ook van mij, hoor ik van hen. Ja, wat mooi. Weet u hoe dat komt? Omdat ik zo’n goede Vader gevonden heb, God!! Daardoor bleef ik niet een slachtoffer van het verleden. Ik ben eigendom van Jezus Christus en Hij opent wegen waardoor ik stappen kan zetten die zo mooi zijn.
Het valt mij op in dit verhaal in vers 22daar staat: Ze kwamen tot Hebron. Hebron, dat betekent ‘verbond’. Ik denk dat het dan doorslaggevend  is of ik tot aan het verbond kom of tot in het verbond. Weet ik van een verbond of  sluit ik een verbond?  Hoor ik van de Heer of verbind ik me aan wat Hij zegt? Ben ik daardoor iemand of blijf ik alleen maar slachtoffer van? Want dat maakt zo’n verschil !
Het is een verschil van leven of dood. Het is het verschil tussen een generatie die het beloofde land haalt of niet haalt. Niet haalt, dat vind ik verschrikkelijk. Een hele generatie mist het beloofde land omdat 10 mensen niet kijken met de ogen: “Dit is land wat Ik je geven zal”, maar kijken met de ogen van: “Ja, het is te sterk, te groot, te veel, te vaak, te diep, te erg, te….”, vul maar in; met die ogen. En wat ik dan ook vreselijk triest vind, dat er niet naar Jozua en Kaleb geluisterd wordt als zij met een positieve tekst komen. Die zeggen: “Het is wel waar dat het een land is met tegenstand en tegenstanders, maar wij zullen het land in bezit nemen. We zullen ze zeker overmeesteren. Dat gaat zeker gebeuren.” ; en dat daar dan niet naar wordt geluisterd.

Ik hoorde laatst: als één op de dertien dingen negatief is en de overige twaalf positief, dan heeft dat ene ding meer impact dan die overige twaalf. Nou, ik denk dat dat in de praktijk vaak wel zo is. Bijvoorbeeld, je maakt een dag mee waar alles goed gaat, je werk loopt voorspoedig, je hebt het goed met je gezin of collega’s en dan maakt iemand een negatieve opmerking over jou en het lijkt wel of al dat goede in een keer weg is. Het blijft maar zeuren in je hoofd hoe iemand zoiets tegen je kan zeggen, en het voelt of alles tegen zit.

Maar laat ik mij daar slachtoffer van maken of kijk ik anders? Je zou ook kunnen zeggen: Heb ik me heel erg afhankelijk gemaakt van wat ze zeggen, of heb ik een heel betrouwbare bron die goed over me spreekt, die mijn leven op de kaart zet, die mij voorthelpt, die mij ontwikkelingsmogelijkheid geeft.
Ik las een hele mooie  uitspraak, die gaat als volgt: ‘Wat jij bent – dat is Gods geschenk aan jou. Wat je wordt, dat is jouw geschenk aan God’. Dat vind ik prachtig. Dus dan begint het ermee dat ik het geschenk dat ik ben in Gods ogen, dat dat heel scherp en heel duidelijk naar je toekomt.  Wat is het beeld van jezelf? Hoe vrij ben je? Mag je er zijn? Durf je er te zijn? Vroeger, voordat ik de Heer kende heb ik me toch veel te vaak in een hoek laten zetten, door gedachten dat de ander het beter kon en flinker was en dat die had het beter door had. Minderwaardig gedoe! Maar ik bèn de ander helemaal niet. Dus die hoef ik ook niet te doen; ik mag  zijn wie ik ben met alles wat in me is. En als ik dan sommige zaken nog niet kan of begrijp? Wat maakt het uit, er wordt van me gehouden. Daar mag ik me in uitleven. En vijanden in de geestelijke wereld, die dat niet willen – en die zijn er, persoonlijke  vijanden –, die zijn per definitie zwakker dan mijn Heer! Dat is het punt. Daarom wil ik dingen ook niet pas later naar me toe halen, over reinheid en heiligheid. Ik ben rein. Waarom? Door het woord dat de Heer tegen me gesproken heeft, de dingen die Hij tegen mij zegt. Daar ben ik rein door geworden, dus rechtvaardig, dus ik mag er zijn.
Want dat is wat als iemand tegen je zegt: “Blijf nou niet je leven lang in die schuld rondhangen. Ik vergeef je je schuld, Ik geef je ruimte en vervolgens geef Ik je een vermogen – dat heet Heilige Geest – die bepalend wordt voor jouw manier van denken en geloven en handelen’. Of zoals ik op een andere plek las: ‘Gods wil brengt je nooit ergens waar Gods genade je niet kan beschermen’. Dan zit daar zekerheid in. Dan is het ook niet van: ‘Ik ga me  helemaal terugtrekken in dat wat voor mijn gevoel veilig is’. Dat heb ik wel gedáán. Ik heb me vroeger letterlijk teruggetrokken van zo’n beetje alles. Met de gedachte dat je dan ook niet bezeerd kon worden. Als je zo denkt dan houd je geen rekening met de geestelijke wereld. Die bezeert je toch; al is het alleen al de ontkenning dat jij je overal aan onttrekken moet omdat ze je anders misschien wel gek vinden of zo.
 
Nog een uitspraak? ‘Geef geen lucht aan je vooroordelen, laat ze stikken’. Er zijn zoveel vooroordelen over jezelf. Nou, geef daar nou geen lucht aan, geef daar nou geen voeding aan. Dan gaat dat wel verdwijnen. Dan krijg ik een heel andere manier van leven en van denken en van ruimte. En dan wordt het wel uitdagend hè, als ik zo leef en als ik zo denk.
Dan wordt het heel uitdagend, als je gaat geloven dat de Vader je alles wat je verspied, gaat geven. Laten we proberen ons in te denken wat Jozua en Kaleb tegen elkaar gezegd hebben als ze zo’n versterkte stad zagen. Jozua en Kaleb zeiden: “Moet je eens kijken, dat is een sterke stad! Die geeft de Heer ons dus ook. Hoe zou Hij dat doen?” Dan kun je al wel heel nieuwsgierig zijn hoe je in bepaalde opzichten zal gaan overwinnen, maar Hij heeft gezegd dat dat een stad is die we gaan krijgen. Dan denk je: “Nou, daar is wel wat voor nodig! Hoe zal dat gaan?” Tegen Jericho met zijn dikke muren en zware poorten. Hoe verover je Jericho? Dat moet zeker met heel veel geweld en inspanning… God zegt later: ‘Nee, wandel er maar gewoon omheen. Je hoeft ook niet veel te zeggen. (letterlijk: “Zeg maar helemaal niks”). Loop er maar omheen, in geloof. Moet je eens kijken wat er gebeuren gaat en hef dan maar de loftrompet van jouw grote God die jou ruimte geeft om te wonen. En die tegenstanders? Wij zingen toch: ‘Die tegenstanders die zijn als was’. Die staan met hun knieën te knikken. Soms denk je dat dat voorbehouden is aan jezelf, maar in naam van de Heer is dat voorbehouden aan hun. Dat is een heel andere manier van denken.
 
Prachtig, zo’n getuigenis wat dan komt van de kant van Kaleb en van Jozua. Zonde hè dat ze het niet geloven. Nou heb je zo’n mooi getuigenis. Jij kent God en je geniet van het leven met Hem en van al die mooie dingen. En je verkondigt dat en je zegt dat en nou accepteren ze het niet. Sterker nog: ze worden kwaad. Verderop staat: ‘Als zij nog een keer getuigenis geven (in hoofdstuk 14:10), dan zeggen ze dat ze maar gestenigd moeten worden’. Dat is toch niet te geloven! Zij hebben een goed getuigenis en dat mag niet, want dan moet je gestenigd worden. Soms wordt er gezegd: “Het lijkt wel alsof ik niet verder mag gaan en het lijkt wel alsof  de laatste tijd alles tegen is; maar dan ben je veel te zwak in je manier van uitdrukken. Het lijkt niet alsof er van alles tegen is, er is van alles tegen. Er is een duivel die zegt: ‘Ik heb bepaald dat je niet verder komt dan zover en dat is echt de grens en verder kom je niet’. Dat zal ‘ie blijven zeggen.
Dat lijkt niet zo, dat is zo! Maar is het je grens? Waar ga je in mee? Laat jouw grens niet bepalen door de tegenstander.  
    

Tot vers 31 hebben ze trouwens wel redelijk de dingen benoemd die ze gezien hadden, maar vanaf vers 32 gaan ze aan het fantaseren. Er staat: ‘Ze lieten een kwaad gerucht uitgaan’  - dus dat is niet meer wat ze gezien hebben, maar wat ze verzonnen hebben  – ‘ze lieten een kwaad gerucht uitgaan bij de Israëlieten over het land dat ze verkend hadden door te zeggen: Het land waar we doorgetrokken zijn om het te verkennen is een land dat zijn inwoners verslindt en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben bestaat uit mannen van grote lengte. We hebben ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, afkomstig van de reuzen. We waren in onze eigen ogen als sprinkhanen en zo waren we ook in hun ogen’. Ze slaan aan het fantaseren en je ziet dat als je dat doet, dan wordt de toch al moeilijke situatie nog ingewikkelder. Dan ga je onheil accepteren die door de boze naar je toe gebracht wordt door zijn manier van denken  Ze slaan aan het fantaseren wat er allemaal gebeuren kan en dat doen ze aan de hand van wat ze zien. Er wordt in omstandigheden waar we mee te maken krijgen nog wel eens gezegd: “Laten we eerlijk zijn”.  Maar wat is eerlijk? Als het te maken heeft met je eer. Sommige dingen zijn niet eerlijk, maar ze zijn wel waar?  Ga, dan aan je Vader vragen of die gedachten van Hem komen. Want als het een leugen van de vijand  is, ook al is het verpakt in een doosje waar op staat: ‘dit is de volstrekte waarheid’, pak ik dat uit en geloof ik het, of geloof ik het niet? Want 1o verspieders  zijn aan het shoppen gegaan, in hun denken, zogenaamd met die vijanden. Ik zie het al voor me tegenover zo’n reus: “Mag ik vragen: hoe zie je mij?” En dan zegt hij “Als een sprinkhaan”. “Nou ja, dan ben ik het ook..”
Ze zijn aan het verspieden geweest, maar ze hebben erbij verzonnen dat ze als sprinkhanen gezien werden. Het punt was, dat ze het zelf zo waren gaan zien, van het niveau om verslonden te worden. Zo waren ze zichzelf gaan zien. Daar waren ze zichzelf in kwijtgeraakt. En als je één keer zó gaat denken, dan blijft er helemaal niks van je over.

Hoofdstuk 14 vers 1 daar staat: ‘De hele gemeenschap begon luid te weeklagen en het volk bleef in die nacht luid jammeren.’ Al de Israëlieten morden tegen Mozes en tegen Aäron en heel de gemeenschap zei tegen hen: Waren we maar in het land Egypte of in deze woestijn gestorven; waren we maar gestorven’ (ja, want het sterft daar zo fijn). Dus als je verkeerde gedachten pakt en dan kun je erover praten en filosoferen en daar komt nog van alles bij en je raakt steeds verder weg, steeds dieper, steeds negatiever. Dan is het allemaal zó erg en zo treurig. Dan gaan we niet van heerlijkheid tot heerlijkheid, maar van crisis tot crisis. Ook wel een modern onderwerp om over te praten. Er is een crisis, en we praten elkaar een crisis aan. Ik heb op een gegeven moment besloten: ze filosoferen maar verder, maar ik ga niet naar al die dingen zitten luisteren. Ik kan mijn tijd wel beter besteden, dan voortdurend de hele dag te horen: ‘crisis, crisis, crisis’ en hoe erg het is wat er gaat gebeuren. Alsof we niet de belofte hebben van een Heer die zegt: ‘Ik zal in al je behoeften – wat zeg je. In hoeveel?  – in ál je behoeften naar Zijn rijkdom heerlijk voorzien’. Nou zegt de tegenstander “Ja, dat is een mooie bijbeltekst, maar de werkelijkheid valt vaak niet mee”.

 
Wat denk je van een Kaleb? Daar probeer ik me in te verdiepen. Kaleb en Jozua, die bleven kiezen voor dat Koninkrijk van God. “ Dat is ons leven, daar zit onze vreugde in. Niet voor niets hebben wij die druif meegenomen. We hebben laten zien wat voor vruchten er zijn. Dat is ons leven”. Maar ja, de rest gelooft hen niet, die wil hen stenigen. Maar dat houdt in dat Kaleb óók niet het beloofde land ingaat; nou ja, pas naar vijfenveertig jaar. Dat is lang wachten! Vindt je niet? Als je beloofd is om dat beloofde land in te gaan en je moet vijfenveertig jaar wachten, dat is toch lang?! Ik denk eerst al: “Wat hebben die mannen op de terugweg met elkaar overlegd”. “Wat gaan we ze vertellen?  Nou zeggen Kaleb en Jozua “We zeggen, we hebben mooi land gezien”. Ja zeggen de anderen, maar je hebt toch dat andere ook wel gezien? Jawel, maar dat gaan we overwinnen. Echt niet, je hebt toch gezien hoe sterk ze zijn? Dat kunnen we toch nooit met elkaar. Natuurlijk wel!” Nou, zo op die manier hebben ze waarschijnlijk met elkaar gesproken.

Vervolgens komen ze daar. Ruien ze dat volk op, zodat ook zij tegenstanders worden. Nou, ternauwernood  behouden ze het leven, want anders waren ze gestenigd vanwege hun positieve getuigenis. En dan zit je vijfenveertig jaar met je mooie geloof, met jouw visie, met je volle evangelie.  Een ander die gelooft het niet. Daar kan je hevig gefrustreerd van raken. Zo gefrustreerd dat je ongeveer net wordt als de tien hè. “Ik zit hier maar oud te worden en dat schiet maar niet op. We hebben een mooi evangelie, maar wie gelooft het nog? Dat is helemaal niet meer in, zoals wij geloven. Dus wat moeten we nou? Wat moeten we nou?” Werden Kaleb en Jozua daar nou heel gefrustreerde en teleurgestelde mensen door?  Weet je wat zo mooi is? Kaleb en Jozua leden niet onder het ongeloof van de ander Ze zouden kunnen zeggen: “We hebben ons best gedaan, maar het is niets geworden. Dat komt door de anderen”.

Ja, want schuld, schuld is een belangrijk gegeven hè. Het lijkt soms wel dat een ander schuldig verklaren heel belangrijk is. Dan kunnen we tenminste zeggen door wie het komt dat iets fout gegaan is. Maar als ik daar verder geen stap mee vooruit kom, wat heb ik eraan? Gefilosofeer over schuldigen. Ik heb veel meer aan een Heer, die als ik terecht kom bij schuld, dat Hij zegt: “Nou kijk, weet je wat Ik daarmee doe? Daar reken Ik mee af, Ik heb de schuld van deze wereld op Me genomen”. Dàt is bevrijdend, als ik dat voor mezelf geldig laat worden door zijn offer, dat bevrijd van schuld, te accepteren.
Weet je wat Kaleb zegt na vijfenveertig jaar? Dat vind ik zo mooi. Dat staat in Jozua14 vanaf vers6. Die zegt na vijfenveertig jaar als hij het land mag uitzoeken, als hij een plek krijgt, dan zegt hij: “Moet je luisteren. Weet je wat mij beloofd is  vijfenveertig jaar geleden? Die plek met die reuzen, dat is me toen beloofd”. En dan zou je denken: “Ik ben inmiddels 85, dus doe me nou maar niet meer die plek bij die reuzen. Want je weet ik ben 85 en dat gaat allemaal niet meer zo”.
Maar hij zegt: “Dat is me toen beloofd, dus ik wil die plek met die reuzen”, want ik ben nog even sterk als toen Mozes mij uitzond!”.
 
Weet je wat ik wil zijn? Weet je wat ik ben? Een Kalebiet, ja. Dat is niet alleen de gedachte: Dat zou ik graag willen. Nee, dat ben ik, dat wil ik zijn. Ik wil op die manier denken en geloven. Niet zo van: “Ja maar en tegenvallers en ze luisteren niet en nou zit ik ermee en nou  heb ik er niks meer aan”. Ik ga ervoor, dat heeft de Heer mij beloofd. Vervolgens trekt hij op en overwint hij. Zo makkelijk? Ja, zo makkelijk. Hoe kan dat dan? Was hij dan zo sterk? Zo sterk was zijn God en daar bewoog hij zich in mee. Hij bewoog zich mee in die sterkte van zijn God. In Numeri 14: 24 zegt God: “Omdat bij mijn knecht Kaleb een andere geest geweest is en hij Mij volkomen gevolgd heeft, zal ik hem naar het land brengen, waar hij heen geweest is, en zijn nakomelingsschap zal het bezitten. Alles wat je van Kaleb kan zeggen, maar niet dat hij een tobber was en niet dat het een gefrustreerde was en niet dat hij een beroep deed op z’n stress of op dat vervelende volk, of op…. Want elk excuus, als je leeft in een soort excuussfeer van: “Ik had wel gewild, maar…” ; dan ben ik toch een slachtoffer van tegenhouders. Dan heb ik mijn ogen wel open, maar niet ver genoeg. Dan kijk ik niet goed genoeg. Dan ben ik misschien tot aan het verbond gekomen, maar dan heb ik geen verbond gesloten. En ik wil deel zijn van dat verbondsvolk.
Zo wil ik ook kijken naar mijn medemens. Niet van: al die lastpakken. Ik heb het al wel vaker verteld: als ik kijk naar m’n werk, het contact met mensen, het gepraat over moeilijke jeugd en jeugd die niet meer wil. Die is lastig en die doet moeilijk en het komt daardoor… Ik heb ook heel vaak gezien, als je het vanaf een andere kant  benadert,  je veel meer bereikt, als je bedenkt: “Op welke wijze zullen wij – omdat wij het toch zoveel beter doen dan bijvoorbeeld de jeugd, op welke manier zullen wij hun dan helpen? Zij doen het stom en zij snappen niks van de volwassen wereld en ze zijn lastig en ze zijn ingewikkeld. Nou, daarmee zeggen wij dat wij het veel beter doen. Nou, laat zien dan! Laat de jeugd dan ontdekken dat je bij volwassenen geweldig veel halen kan aan moed, aan energie, aan vertrouwen, aan ondersteuning.”  Dan zal je overigens ontdekken dat je ook heel veel van de jeugd kan leren aan spontaniteit en uitdaging en ook aan onbevangenheid. Ik ben ervan overtuigd dat jeugd – en niet alleen jeugd – niet zit te wachten op eindeloos commentaar over niet deugen, maar dat ze gaan zien dat er van hun gehouden wordt, dat er om hun gegeven wordt en dat ze leven mogen. Want, las ik ergens – en dat geldt voor jezelf, dat geldt voor jeugd, dat geldt voor de samenleving; maar begin er maar zelf mee – ‘God roept niet de *bekwamen, maar God bekwaamt de geroepene’. “Ben ik wel bekwaam? Kan ik het allemaal wel? Lukt het me?” Als ik mij door Hem laat roepen en door Hem laat vinden, dan laat dat bekwamen maar aan Hem over. Dan komt daar leven uit te voorschijn en overvloed en waarheid en gerechtigheid. Dat vind ik zo mooi als je op die manier leeft. Nog een uitspraak: ‘De taak die voor ons ligt is nooit zo groot als de kracht achter ons’.  En wat ik wil – en wat wij samen willen, we zijn niet voor niks gemeente – dat is met die visie, met dat stuk elan, er voor de ander zijn, en pas het ook toe in eigen leven!

Ook dat las ik laatst , iemand die schreef: ‘Toen ik heel jong was besloot ik de hele wereld te veranderen. Na enige tijd bleek dat niet zo heel makkelijk te zijn”. Toen had hij gedacht: “Nou, dan doe ik Nederland”. Zelfs dat viel niet mee. Toen ging hij terug naar zijn provincie en naar zijn plaats en toen hij inmiddels heel oud was, had hij gedacht: “Nou, misschien moet ik maar eens beginnen bij mezelf”. Maar je zou dat ook éérder kunnen doen. Dat is een hele oude term hè: ‘Verbeter de wereld en begin bij jezelf’. Als het bij mezelf beter wordt, omdat ik van mezelf laat houden; omdat ik toelaat dat ik bevrijd word, dan kan ik ook een bevrijder worden, dat ik een ander vrijheid geef. Dat ik een mens ben van liefde en van barmhartigheid en van leven. Dan heeft dat impact op mezelf, impact op mijn omgeving. Dat is zo mooi. Dan blijft het ook in de juiste verhouding. Want soms hebben we het zwaar met taken die God niet op onze schouder gelegd heeft, maar die we zelf op onze schouder gelegd hebben.

Neem er afstand van en luister naar wat God tegen je zegt.
 
Tot slot, een mooie brief:
Menslief, denk jij nu echt dat je bedoeld bent als een massaproduct? Denk jij nu echt dat jij er bent om alsmaar druk bezig te zijn, dag in dag uit. Om te leven voor het weekend, of krom te liggen voor een vakantie, om een nummer te zijn op een lopende band, wat je nog leven noemt ook; jaar in jaar uit. En om te eindigen in vergetelheid. Wanneer kom je eens achter je agenda, achter je masker vandaan en toon je je eigen gezicht? Menslief, wanneer heb je voor het laatst de stilte gehoord, naar de sterren gekeken op een donkere polderweg en je verwonderd hoe klein en hoe groot je bent. Of op je rug in het gras gelegen, de bloemen geroken, de insecten gehoord en naar de blauwe hemel gestaard?
Menslief, Ik schreeuw je toe dat ik van je hou’, maar hoor je Me wel? Heb je wel oog voor Mij? Ik wil een licht zijn voor jouw donkere dagen en wil je dragen als het moeilijk wordt. Ik schrijf je niet om te zeggen dat je alleen maar verkeerd bezig bent, maar als ik die donkere wereld van jou zie, doet Me dat wel pijn. Het lijkt zo leeg, schijn en doods…en dat is niet Mijn bedoeling. Ik schrijf  je deze brief  om op je hart te drukken  dat  je in Mijn ogen waardevol bent.
Menslief, ik wil je dat niet alleen vertellen, maar ook laten ervaren. Ik hoop dat je er voor open zal staan. Hoor Ik nog eens wat van je? Veel vrede!
 
Jezus

Bent u aangesproken door deze preek? Geef een reactie op: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
Maak de VOX website verder bekend en geef het evangelie van Jezus Christus door!