Thursday, August 22, 2019

“He’s got the whole wide world in His hands”

Text Size

In- en uitgaan - Johannes 10 - Henk Moorman

Ik begin met een stukje te lezen uit het evangelie van Johannes 10, vanaf vers 1. Een heel bekend stukje.
 
Johannes 10:1
Voorwaar, voorwaar ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover. Maar wie door de deur binnen komt is de herder van de schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem. En hij roept zijn eigen schapen bij name, en voert ze naar buiten. Wanneer zijn eigen schapen alle naar buiten heeft gebracht, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen. Maar een vreemde zullen zij voor zeker niet volgen. Maar ze zullen van hem weglopen omdat ze de stem van de vreemde niet kennen. In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar ze begrepen niet wat het was wat Hij tot hem sprak. Jezus zei dan nogmaals, voorwaar, voorwaar ik zeg u, Ík ben de deur der schapen, allen die voor mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen níet gehoord. Ík ben de deur, als iemand door míj binnenkomt, zal hij behouden worden, en hij zal íngaan en úitgaan en weide vinden. De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen. Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed. Ík ben de goede Herder. De Goede Herder zet zijn leven in voor zijn schapen. Wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, die ziet de wolven aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht. En de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen, want hij is een huurling. En de schapen gaan hem niet ter harte. Ik ben de Goede Herder. En Ik ken de mijnen, en de mijnen kennen Mij, gelijk Mij de Vader kent, en Ik de Vader ken. En Ik zet Mijn leven in voor Mijn schapen.
 
Tot zover eerst maar. Ik zei al, heel bekend stukje: Wie door mij ingaat, zegt Jezus, wie door mij naar binnengaat, die is behouden. Ik denk dat iedereen hier van harte kan zeggen: ik ben ooit ingegaan, Jezus is voor mij de deur geweest, ik ben door Hem ingegaan, door Hem heb ik de weg tot de Vader weer gevonden, Hij heeft de verzoening bewerkstelligd, zodat het nu goed is tussen God en mij. Ik ben binnen! Dat zeggen mensen wel eens vaker hè? Je moet zorgen dat je binnen bent. En dat is ook zo, want zegt Jezus: wie door Mij is binnengegaan is behouden.
 
Maar dan, zegt Jezus, als je binnen bent en behouden, dan zal je  ingaan én úitgaan. Dat komt er meteen achteraan. Het stopt dus niet met ingaan en behouden worden. Als je binnen bent zit je goed, denken wij, en dat is ook zo. Maa meteen er achteraan zegt Jezus: en hij zal niet alleen íngaan maar ook úitgaan.
Waar denk je aan bij íngaan? Het is eigenljik een vreemde volgorde, maar daar kom ik zo nog wel op. Waar denk je aan bij íngaan, bij bínnen zijn? Ik zou zeggen: binnen dat is veilig, hè. Daar is het warm, daar zit je beschut, dat zit je beveiligd. Buiten zijn de wolven lezen we net. Binnen niet, daar zit je dus veilig. Binnen is het ook zo heerlijk vertrouwd hè. Heeft alles een vaste plek, z’n vaste volgorde, z’n vaste patroon. Je weet wat er komt, je weet hoe alles in elkaar steekt, je hoeft niet bang te zijn voor verrassingen. Verrassingen zijn maar vervelend. Binnen is het allemaal voorspelbaar, vertrouwden vast. Gelukkig maar. Zo heerlijk gewoon, zou je kunnen zeggen. Zoals je het thuis gewend bent. En dat geeft wel een rustig gevoel. En gelukkig is er in ons leven heel veel gewoon. Als alles vreemd was, als alles nieuw was, als je steeds maar weer voor verrassingen kwam te staan, dan zou je helemaal gek worden. Dat kun je helemaal niet aan. En dat kost ook enorm veel energie. Dus op zich is er niks mis mee, dat dingen vertrouwd zijn en voorspelbaar.
 
Binnen heeft ook te maken met de binnenkamer.  De binnenkamer, de intieme omgang met je Vader, dat je samen dingen kan delen of dat je alleen maar stil bent en weet: wij zijn samen, en dat is genoeg, die intieme vertrouwdheid.
Binnen heeft ook te maken met uitrusten. Met bijkomen, met bijtanken misschien. En ook met herkauwen, zo noem ik het maar. Met overdenken en op je in laten werken wat je zoal buiten hebt meegemaakt en aan indrukken hebt opgedaan. Nog eens de revue laten passeren wat je is overkomen en hoe je daarmee bent omgegaan; dat er je dan nog over na zit te denken of je mischien anders had moeten reageren of beter misschien helemaal niet. Dat bedoel ik met op verhaal komen en herkauwen. Dat je tot je zelf komen. Dat doe je allemaal binnen en daarvoor moet je dus ingaan.
 
Maar niet alleen ingaan. Ook uitgaan, staat er. Ingaan én úitgaan.  In het stukje wat we gelezen hebben zitten eigenlijk 2 beelden, heb je dat gemerkt? Het ene beeld gaat over: Ik ben de herder, de deurwachter doet voor Mij open, Ik kom en haal Mijn schapen. Ik leid ze naar buiten. En het ander beeld is: Ik ben de deur, en door Mij gaan de schapen in en uit. Dus in dit ene verhaaltje zitten in feite 2 beelden. Die moet je wel uit elkaar houden, want Jezus kan niet tegelijk de deur zijn én de herder die door die deur gaat.  En let eens op de volgorde, die is merkwaardig. Jezus zegt: wie door Mij binnenkomt is behouden en hij zal ingaan én uitgaan. Het gaat dus over iemand die net naar binnen is gegaan en die dus binnen is. En het eerste wat je dan kan doen is juist úitgaan, niet ingaan. Een andere vertaling zegt: wie door Mij is binnengegaan is behouden en zal uitgaan en gerust zijn. Dat vind ik eigenlijk logischer, maar goed, als je naar de grondtekst kijkt dan ligt die eerste vertaling eigenlijk meer voor de hand. Laten we het allebei dan maar goed rekenen. Maar die andere veertaling vind ik ook mooi: “Wie bij Mij binnen komt is behouden en hij zal uitgaan en gerust zijn.” Als je dat zo hoort dan is het geen enge aangelegenheid om weer uit te gaan, nee, dat kun je in alle gerustheid doen, omdat je weet: mijn basis is binnen en ben ik behouden.
 
Dus: uitgaan, zegt Jezus. Niet alleen ingaan maar ook uitgaan. Waar denk je aan bij uitgaan?
Uitgaan is het tegenovergestelde van ingaan, van binnen zijn. Het is dat hele beschutte  loslaten. Niet weggooien, want je hebt die beschutting regelmatig hard nodig. Maar op een gegeven moment wel loslaten. Dat is iets anders dan weggooien, hè.  Gewoon dúrven loslaten en de ruimte ingaan, die Jezus voor je bewerkstelligd heeft, die Jezus je beschikt heeft. Ja misschien dat hele veilige toch eens een keer durven loslaten hè. Niet dat je God loslaat, natuurlijk niet! Maar wel dat je los komt van de gedachte dat je God angstvallig moet vasthouden, je aan Hem vast moet klemmen. Ooit hoorde ik een beeld en dat is me altijd bijgebleven. Het ging over een vader en twee kinderen, ze waren bij de zee. Je kunt je het wel voorstellen: de zee, het strand, de duinen. En die vader die staat daar, zo’n beetje op een duin, vlak aan het strand. En van die twee kinderen is er één, die is daar beetje verderop aan op het strand aan de rand van de golven aan het spelen. En die andere, die klemt zich vast aan die vader, hij houdt zich stijf vast aan het been van z’n vader. En die vader zegt tegen dat tweede kind: joh, ga maar lekker spelen, doe wat je fijn vindt om te doen. Ik hou jou wel in het oog. Je hoeft mij niet zo te omklemmen, Ik hou jou wel vast, ga nu maar de vrijheid in, ga de ruimte in en weet dat ik jou niet uit het oog verlies. En weet, dat als jij mij nodig hebt, dan zal ik er zijn. Je hoeft maar te roepen. Of zelfs dat niet eens, want ik zie je, ik waak over je.
 
Dat geeft gewoon meer ruimte aan je christelijke bestaan. Dat je weet, het is niet nodig dat ik God zo vast omklemd houd. We horen immers bij elkaar, hoe dan ook. Dat is een gegeven, daar is niks aan te veranderen en dat is, wat God betreft, onvoorwaardelijk. En dus niet afhankelijk van het feit of ik wel héél dicht bij Hem blijf. Nee.  Als je op die manier heel dicht bij de Vader wilt blijven dan kan daar een soort kramp in zitten, hè. Zo van: ik moet heel dicht bij de Heer blijven en ik moet goed oppassen dat ik niet van Hem verwijderd raak, want wie weet, doe ik dan wel iets wat niet goed is of misschien overkomt mij dan wel iets.  Dat is niet wat God van ons vraagt. God is immers zo ruim! Ik denk: dát is wat God tegen ons zegt: “Ík ben onbegrensd, beperk mij dus niet en beperk ook jezelf niet. Wees doordrongen van Mijn trouw en wees doordrongen van Mijn waakzaamheid over jouw leven.  En wees er van doordrongen dat Ík ook de vaste grond onder je bestaan bén. Wat je ook doet, waar je ook bent”. Zelfs al zou je ergens heen gaan waarvan je achteraf zou moeten zeggen: dat was niet slim, dat was niet verstandig, dat had ik beter niet kunnen doen, ja zelfs als  je iets zou doen, waarvan je achteraf moet zeggen, nee, dat was gewoon niet goed, dat was fout, dat je dan toch weet: de Heer zegt “maar Ík was daar bij je, Ik ken je intentie, en Ik reken je het niet aan.”. Dat geeft ruimte en dán durf je úit te gaan, de ruimte in, de vrijheid in.
 
Uitgaan, dat betekent ook een beetje  dat voorspelbare, dat gestructureerde, los durven laten. Ik zou haast zeggen: dat mechanische. Want er zijn heel veel christenen die een geloof hebben voor binnen. En dat is een geloof wat je precies kan uittekenen, waar alles nauwkeurig vastligt. Een geloof wat zegt: als dit, dan dat. Als je dit doet, dan mag je er op rekenen dat de Heer dat doet. Als ik bid, dan mag ik erop rekenen dat de Heer dat verhoort, dat Hij doet wat ik vraag. Hé, dat gebeurt niet? Dan hebben we blijkbaar iets fout gedaan. Even kijken, wat hebben we niet goed gedaan? Hebben we wel in Jezus naam gebeden? Of zijn er misschien nog verborgen zonde ergens? Want het systeem moet kloppen! En als het niet werkt dan zit er dus ergens een foutje in ons systeem, denken we,  en dan gaan we zoeken waar dat zou kunnen zijn.
Dat dat is is volgens mij niet hoe God denkt. Die is anders.  God is heel anders. Onze logica is vooral een logica van oorzaak en gevolg. Het idee dat als je een munt in de automaat gooit dan moet er ook wat uitkomen Dan moet er wat in beweging komen en gaan gebeuren, daar mogen we toch op rekenen. Zo zijn toch de afspraken tussen God en ons. Ik moet denken aan een apparaat dat in mijn kimdertijd bij een winkel stond. Een soort kast, met daarin allemaal dierenfiguurtjes, een aap, een giraffe een olifant. Elk dier had een instrument. En als je daar een muntstuk ingooide dan begonnen al die dieren te bewegen en muziek te maken. Als kind konden we daar niet genoeg van krijgen: een munt er in en het begon vanzelf te bewegen, tekens weer. Dat bedoel ik met mechanisch geloof: Heel wat christenen denken: als ik God mijn toewijding geeft, mijn gehoorzaamheid of mijn lofprijs, dan komt Hij in beweging en gaat Hij doen waar ik op reken. Dan zal Hij mij geven wat ik nodig heb.
 
En natuurlijk zijn er altijd teksten, waarop je je kunt beroepen; bijvoorbeeld: ”vraagt in Mijn naam wat gij wilt en het zal u geworden”. Die hebben heel wat christenen boven hun bed hangen. Ja, maar waar staat dat? Natuurlijk in de bijbel. Maar dat is weer zo’n uit het verband gerukte tekst. De context is dat stukje over de wijnstok en de ranken, je kunt het lezen in het evangelie van Johannes, hoofdstuk 15. Daar zegt Jezus: Ik ben de wijnstok; als je in mij blijft, zoals de ranken aan de wijnstok, dán zul je veel vrucht dragen. Het gaat dus over vrúcht dragen en in dat verband zegt Jezus: vraag maar je wil en het zal je geworden. De vraag is dus: welke vruchten wil ik dragen en als ik wat dat betreft mijn verlangens aan hem voorleg, mag ik erop vertrouwen dat die vervuld zullen worden.
Het is belangrijk om de bijbelteksten niet uit hun verband trekken maar in de context te laten staan en te verstaan. Dat is zo veel gebeurd, dat teksten links en rechts uit de bijbel worden geplukt en dat daarmee de basis wordt gelegd voor weer een visie of een leer die de mensen wel goed uitkomt.  Want voor elke opvatting is wel een bijbeltekst te vinden waarmee je die kunt onderbouwen, om zo je gelijk te bewijzen. Maar elke Bijbeluitleg moet overeenstemmen met de grondprincipes van het Koninkrijk van God. En een van die principes is dat wij een geloof hebben wat de ziel behoudt, zegt de Hebreënschrijver in hoofstuk 10, vers 39, niet een geloof wat ons materiële voorspoed belooft of de oplossing van al onze problemen.
 
Dus niet dat automatisme, dat mechanische geloof. Zo werkt God niet. Niet dat gestructureerde, dat voorspelbare, maar een beetje los durven laten, en veel meer vertrouwen, dat God wat waarmaakt wat Hij zegt, nl. dat Hij er voor je zal zijn. Want dat is Zijn naam: JAHWEH: Ik zal er zijn. En misschien niet op de voorgeprogrammeerde manier zoals wij christenen dat hebben bedacht, maar: Ik zal er zijn, op Mijn tijd en op Mijn manier. Dat zul je merken, dat beloof Ik je.
Uitgaan heeft te maken met loskomen van van schema’s, loskomen van geprogrammeerd denken. Ik herinner mij zelf nog, uit de begintijd toen ik het evangelie net kende, dat we les kregen en het werd allemaal keurig opgeschreven, en je zat met je schift dat allemaal over te nemen, alsof God in schema’s te vangen is, alsof God in kaart te brengen is. Kennis is niet verkeerd, kennis is goed en onmisbaar. Als je dat niet hebt, dan verdwaal je, dan wordt je ongetwijfeld op een dwaalspoor geleid of misleid. Dus kennis is nuttig, maar kennis op zich is geen leven. Het is niet hét leven. En die schema’s, en dat mechanische geloven, dat is ook geen leven. Het koninkrijk van God is net als God zelf altijd weer verrassend. Misschien moeten we daar nog een beetje aan wennen af en toe, maar God laat zich niet programmeren. God is juist altijd weer verrassend en net een slag anders dan wijzelf hebben bedacht dat Hij is. Een mooi voorbeeld is Zacheüs,de tollenaar waarvan iedereen denkt, zo’n landverrader, die heult met de vijnd, die laat je toch mooi links liggen. Daar wil je niets mee te maken hebben. Maar Jezus dus wel. Hij is, net als Zijn Vader, heel anders: Zacheüs vandaag moet ik bij jou in huis zijn”!. Dat was voor de omstanders niet alleen verrassend, dat was schokkend! 
 
Er is een boekje, het heet “Het bezoek”, van Adrian Plas. Het gaat over Jezus die een week op aarde komt. Verzonnen natuurlijk, maar wel heel bijzonder. De schrijver verhaalt van Jezus, die allemaal dingen doet die haaks staan op wat de  mensen van hem verwacht hadden. Als er kerkdienst is dan is Jezus daar niet. En als ze Hem dan gaan zoeken, dan blijkt dat hij in één of ander café aan de overkant zit. Hij had namelijk een gesprek met iemand en dat was op dat moment belangrijker. Ja, en er was, in die gemeente ook iemand, die was homofiel. Moet je je voorstellen. Nou daar zaten ze wel mee. Wat moeten we daar nu mee aan? Dat kan toch eigenlijk niet en het mag niet en moeten we de betreffende persoon uit de gemeente weren of moeten we daar voor bidden, hoe zit dat. En dan komt Jezus op bezoek op de aarde, één week, en als Hij in die gemeente komt dan neemt Hij die jongen ook apart, Hij gaat ergens met hem zitten praten, wel een uur. En als ze daarna weer te voorschijn komen staan de mensen te popelen om te horen wat Jezus gezegd heeft. “Vertel”, zeggen ze tegen die jongen, “wat zei de  Heer nou over je homofilie?” Het is even stil. Dan zegt de jongen: “nu je het vraagt, daar hebben we het helemaal niet over gehad”. Ik vond het zo goed hè, zo verrassend, voor sommigen misschien schokkend. Want wij hebben al heel snel ons oordeel klaar, we weten immers precies wat van God mag en wat niet. Maar jezus is geheel anders. Hij oordeelt niet en altijd verrassend en altijd net een slag anders dan wij denken, stijgt Hij uit boven onze schema’s van wat acceptabel is en wat niet
 
Uitgaan is ook een kwestie van jouw eigen weg zoeken. Jouw eigen weg zoeken, waarvan de Heer zegt: ik maak de paden wel recht hoor, maar het zijn wel jóuw paden, jóuw wegen. Maak mij úw wegen bekend, zal ik ze recht maken, zegt de Spreukendicher in hoofdstuk 3.  Maar daarvoor moet je wel naar buiten, want binnen zijn geen wegen. Binnen zit je, of lig je lekker. Maar wegen, jóuw wegen die de Heer kan rechtmaken, die zijn buiten. Dat kan niet anders. En daar buiten, daar kan je je laten leiden. We zingen in Psalm 23: Hij doet mij neerliggen in grazige weiden , Hij voert mij aan rustgevende wateren, Hij leidt mij in rechte sporen. Ja, dat moet wel buiten zijn hè. Want binnen stromen geen rivieren, zijn geen grazige weiden. Er is vast wel een baaltje hooi in de stal, maar dat is wat anders dan grazige weiden.
Buiten zal je ook van tijd tot tijd de elementen moeten trotseren. Want bínnen zit je lekker beschut, maar búiten kan het stormen en spoelen van de regen. Buiten kan je de elementen tegenkomen die waar je soms tegenin  moet worstelen. En daarvan zal je zeggen: dat is nou niet mijn eerste keus. Ik zit liever warm en beschut binnen. Heel begrijpelijk, maar dat hoort wel bij buiten. En dat hoort wel bij je eigen weg zoeken, het hoort wel bij de ruimte ingaan. Buiten is ook het dal van diepe duisternis, waar diezelfde psalm het over heeft, en waar je doorheen moet. Dat dal is niet binnen, dat dal is buiten. Daar vraag je niet om, niemand vraagt daar om. Toch kun je op een gegeven moment ontdekken: ik zit in een dal en het is akelig donker, beangstigend donker. Dat kan. En dán is het van belang dat je weet: er is een Heer die zegt: Ook buiten ben ik met jou, mischien wel juist buiten. Ik ga mét jou door het donkere dal. En schrik daar niet van, dat donkere dal betekent niet dat je iets verkeerd doet, het overkomt je. En Ik sta niet aan het eind, als een licht in de verte, op jou op te wachten. Nee, ik ga mét jou! Door die donkerheid heen.
 
Uitgaan is dus ook je mogelijkheden benutten en je talenten, want daar wordt buiten veel meer een beroep op gedaan dan binnen. Buiten komt het er op aan, wat heb je zélf in huis. En dan zul je merken dat er niet voor niks staat: je zult de Heer je God dienen met geheel je hart, met geheel je ziel, met geheel je verstand, met al je kracht. Met alles wat je als mens hebt meegekregen.  Het is zelfs het eerste gebod, zegt Jezus in Mattheus 22:38. En daar heeft God een hoge verwachting van. Want als mens heb je een hoop mogelijkheden in je. Daar moet je niet te gering over denken. Onze krácht is niet zo groot maar dat geeft niet. Gods kracht, Gods geest zal je ondersteunen. En die zal je ook raad geven. Maar onderschat niet je eigen mogelijkheden en vermogen als mens!  God doet dat niet in elk geval.
 
Naar buiten gaan is ook naar buiten treden. Tevoorschijn komen zoals je zelf bent. Je manifesteren, aan het licht komen. Want in feite is dat het grote project waar God ooit mee begonnen is: “Laat ons mensen maken naar ons beeld en gelijkenis”, zegt Hij in Genesis. En dat zal uiteindelijk uitmonden in mensen, waarvan God kan zeggen: Ik ben nu eindelijk alles in allen. Kijk, daar zijn ze nu, de mensen naar Mijn beeld en Mijn gelijkenis. Dat is waar het naar toe gaat, lezen wij in Openbaringen. Dat gebeurt dus alleen maar als mensen tevoorschijn komen, geopenbaard worden als mensen die verbonden zijn met God en die Hem ten diepste kennen. Dat zijn de mensen die dus ook ín de schepping zíchtbaar kunnen maken, vóelbaar kunnen maken, hóe God is. Hóe goed Hij is, hóe vol liefde Hij naar zijn schepping toe is. Dát is je roeping. Dan realiseer je je dat het er niet alleen om gaat dat het ons in onze plaatselijke gemeente wèl zal gaan, maar dat voor God geldt dat Hij de héle wereld lief heeft. Al zo lief had God de wéreld, dat Hij zijn eniggeboren zoon zond opdat een íeder, die in Hem gelooft, eeuwig leven zal hebben. Zo groots is de visie van God en zo ruim is zijn hart. En dáarom is het van belang om niet alleen ín te gaan, maar ook úit te gaan, want hóe zal de wereld er anders achterkomen dat er een God is die hén, de mensheid zó lief heeft.
Je merkt dat, wie vooral naar binnen gericht is, die heeft het vooral over: God is mijn doel, maar wie óok naar buiten gericht is, die zal het ook hebben over: God is mijn bron. dat is precies de andere kant uit en je gunt anderen ook dat ze die bron leren kennen.
 
Ingaan én uitgaan, zegt Jezus, én weide vinden. Ja, dat kan ook alleen maar buiten hè. Binnen is geen weide.  Dat betekent: búiten wordt je gevoed, búiten zijn de voorwaarden om te groeien, búiten zijn de voorwaarden om sterk te worden. Daar vind je weide, en dat is wat schapen nodig hebben. Ja, en wat is dat dan? Waar denk je aan bij weide vinden? Want voor schapen is het misschien een aantrekkelijk idee, gras eten, maar ik word daar niet enthousiast van moet ik eerlijk zeggen. Dus wat wat is dat dan, weide vinden? Misschien moet je denken aan wat Jezus zelf aangeeft, als Hij op een gegeven moment tegen zijn  discipelen zegt: voor Mij is spijze om de wil te doen van degene die mij gezonden heeft en om Zijn werk te volbrengen (Joh. 4: 34). Dát is voor Mij eten. In een andere vertaling staat: voor Mij is eten om de wil te doen van Hem die Mij er op uit heeft gestuurd. Daar kom je weer dat “er opuit” tegen, naar buiten. Want eigenlijk heeft Jezus’ leven helemaal in dat teken gestaan hè.  Er op uit. Hij is er door de Vader op uit gestuurd. Het hele verslag, zoals we dat in de evangeliën lezen, is daar één groot getuigenis van. Jezus die er op uit gaat. Jezus die er op uitgestuurd is door de Vader én laat zien hoe Zijn Vader is. En met regelmaat zie je ook, dat Hij weer even naar binnen moet. Dan gaat Hij de eenzaamheid in, de berg op. “Vader, nou moet ik weer even naar binnen hoor, even bij U schuilen. Want het is best heftig, wat er allemaal op je af komt daar buiten. Ik moet even weer naar binnen, even weer die intimiteit opzoeken, even weer Uw stem horen. Ingaan en uitgaan. Dat zie je steeds in Jezus leven gebeuren. 
De wil doen van Hem die Mij er op uit heeft gezonden. Dat geldt ook voor ons, op onze plaats, op onze manier.
 
Wat is dat nou eigenlijk: de wil doen van Hem die mij gezonden heeft? Ik denk, dat is waar we het net over hadden. God die zegt: Ik wil zó graag dat de mensheid  hoort en ervaart dat Ik íedereen lief heb.  Dáarom heb Ik Mjn zoon gezonden, opdat iedereen die in Hem gelooft eeuwig leven zal hebben.  En een eeuwig leven dat is niet alleen een kwestie van zonder einde in de tijd. Daar denken we meestal aan bij eeuwig hè,  Eeuwig: daar komt geen eind aan, dat houdt nooit op. Dat is ook zo maar het betekent veel meer. Het betekent: onbegrensd, onbeperkt. Dát is eeuwig: voluit leven. Want dan anders heb je al gauw het idee van: eeuwig leven, dat begint als we dood gaan. Op dat moment gaat ons eeuwig leven beginnen en dat houdt nooit meer op. Nee, het eeuwig leven, leven zonder beperkingen, begint nú! 
Als ik naar mijn eigen leven kijk dan zijn er, eerlijk gezegd, nog heel wat beperkingen en grenzen. Dus wat dat betreft hebben we nog een hele hoop tegoed en te verwachten. Ach, en dat zal waarschijnlijk ook allemaal niet meer lukken in de tijd dat we hier op aarde zijn, maar dat is ook niet erg. Want dan geldt de belofte: of je nou hier bent of je hebt je lichaam los gelaten, wat leeft dat blijft doorgroeien, blijft doorgaan met veranderen. Immers, wie Mij kent, zegt Jezus, die zal de dood überhaupt niet meer zien.
 
Ingaan én uitgaan. En wie uitgaat is buiten. Maar horen we eigenlijk niet binnen? Horen we dan niet in de stal? Er staat toch in Psalm 27: Één ding heb ik van u gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des Heren al de dagen van mijn leven. Daar klinkt toch niet echt in door dat je naar buiten moet gaan. Ik wil bínnen zijn, zegt de psalmist, dáar wil ik blijven.
Het huis van Mijn vader heeft vele woningen, zegt Jezus. Dan zou je zeggen: daar woon je, in het huis van je Vader, dat is duidelijk. Waarom zou je er dan nog weer uit moeten? Ja, goede vraag. Het heeft te maken met je verstaat onder wonen. Waar denk je aan bij wonen? Ik weet niet waar jullie  wonen, maar je zit nu allemaal hier in deze ruimte. Als ik je nú vraag waar je woont, dan noem je niet het adres van deze zaal, dan noem je de plaats en het adres waar je vanochtend bent opgestaan en waar je straks weer naar teruggaat. En dát is ook precies wat een woning of woonstede is: dat is de plek waarvan iemand uitgaat om zijn activiteiten te ontplooien en waarnaar hij weer terugkeert, vooral om de nacht door te brengen. Bij een hele hoop wettelijke regelingen in ons land is dat het  criterium: als je per week meer dan de helft van een aantal nachten daar doorbrengt, dan is dat je woning. Dat betekent dat je héel goed ergens kan wonen en meer tijd buiten bent dan binnen. En tóch woon je op die plek, omdat je stéeds weer daar naar teruggaat.
Ik denk dat het ook zo is bij de woningen in het huis van Mijn Vader. Of in de stal. Welk beeld je maar wil. Dát is je vaste plek, je basis, vanwaar je úitgaat en op een gegeven moment ook weer terugkomt. En na uitgerust te zijn weer úitgaat, maar ook weer terugkomt. En ondanks dat je regelmatig niet binnen bent kun je toch zeggen: en daar wóon ik. Dat is mijn woning. Dat wil dus niet zeggen dat je daar altijd binnen moet blijven. Integendeel. Als je zegt: dit is mijn woning en je komt er nooit uit, dan is er iets mis hè.  Dan ben je misschien ziek. Als iemand nooit buiten komt, dan zal een ander op een gegeven moment vragen: joh, is het wel goed met jou, ik zie je nooit buiten. Ja toch?
 
Ja, je bron is bínnen. En je bestemming is búiten. Er op uit gaan, dat heeft alles te maken met zingeving. Want als je zegt, de zin van mijn leven is om altijd binnen te zijn,  en om daar altijd God te loven en heel intiem met Hem om te gaan, dan denk ik dat God op een gegeven moment zegt: Ik vind het heel fijn, om jou zo dicht bij Mij te hebben, maar ….kijk eens om je heen. Doe de luiken in je bestaan open. Er zijn nog zoveel meer mensen, die Ik ook liefheb, en die Mij nog niet kennen. Hoe zullen die Mij leren kennen  als jij altijd binnen blijft. En trouwens: hoe zal jijzelf ten volle mens worden als je altijd binnen blijft?
 
Méns worden. Mens worden doe je in relatie met anderen. In de eerste plaats in relatie met God maar ook in relatie met je medemensen.  Niet door nóg meer in jezelf af te dalen, je nóg meer in jezelf te verdiepen. Mens worden doe je in relatie met ánderen.  Dat is een soort grondregel in het koninkrijk van God. 
Nu kan iemand zeggen: ik blijf liever binnen want buiten is het gevraalijk, daar zijn de wolven. Ja, maar wat kom je binnen tegen? ’t Is jammer dat we het moeten zeggen, maar  Jezus zegt: bínnen kom je dieven en rovers tegen. Je zou het niet verwachten, maar het stáat er echt. Dat is wel frappant hè. Terwijl je denkt: in de stal daar mag ik toch verwachten dat ik veilig ben, buiten dreigt het gevaar maar binnen zitten we beschut,  binnen kan ons niets gebeuren. En dan blijkt opeens dat er gespuis is dat op een andere manier is binnengekomen. Er zijn er, die op een andere plaats ínklimmen. Dat is een dief en een rover, zegt Jezus. Moet je daar bang voor zijn? Nee, dat hoeft helemaal niet, want wat staat hier: Mijn schapen luisteren gewoon niet naar ze. Klaar. Zo simpel is het. Oren dicht, niet naar ze luisteren. Luister maar naar de stem van je Heer. En wat doen dieven en die rovers dan? Ze komen om te stelen en te slachten en te verdelgen, staat er. Dat is nogal wat. En natuurlijk moeten we oppassen dat we niet al te snel naar mensen wijzen. Het is immers een geestelijke werking. Maar zoals voor elke geestelijke werking geldt ook hier, dat Gods tegenstander alleen kan  werken als er mensen zijn die zich daar voor lénen. Maar het gaat erom dat je de geest onderkent, of die uit God is of niet. De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen, staat hier. In een andere vertaling staat, dat vond ik eigenlijk wel mooier: “de dief komt niet dan om te stelen en te slachten: om je verloren te laten gaan”. Hé, dat is raar, want Jezus heeft net gezegd: “als je door Mij bent binnen gekomen ben je behouden”, en dan kom je binnen weer lui tegen die zouden maken dat je weer verloren gaat? Nou, dat denk ik niet. Dan hou ik het toch maar op het woord van Jezus, die zegt: je bent door Mij binnen gegaan, je bent behouden hoor!
En toch kun je wel verloren gaan, alleen de vraag is: waarvóór kan je dan verloren gaan? Ik denk voor je bestemming. Je bestemming om er op uit te gaan namelijk. Want als je álleen maar kneuterig bij elkaar blijft zitten dan mis je je bestemming. Stel als gemeente zeggen wij: we hebben zó fijn met elkaar, het is zó vertrouwd en je proeft de sfeer van de Heer, we zingen zúlke fijn liederen en de kóffie na afloop is ook niet te versmaden, laten we het vooral zo houden. En ja,  het zou wel fijn zijn als we nog meer mensen bij elkaar konden krijgen die óok zo fijn met ons zouden samenkomen, dan zou onze gemeente nog groter zijn. Ik denk als het daarbij blijft, dat je dan een beetje verloren gaat voor je bestemming. De bestemming namelijk om een licht te zijn in deze wereld. Stel dat de Heer, net zoals in Openbaringen  best kritische opmerkingen worden gemaakt over verschillende gemeenten, tegen ons zou moeten zeggen: Ik ben jullie een beetje verloren voor wat Ik zo graag had gewild: dat jullie lícht geven in een dónkere omgeving. Dat willen we toch liever niet laten gebeuren. Dus luister maar niet naar die stemmen die zeggen, als wij maar dicht bij de Heer zitten dan zitten we goed. Dat is zeker waar, maar dat is de halve waarheid. Daar moet het namelijk niet bij blijven. Want dezelfde Jezus, waarvan getuigd wordt dat Híj door de Vader gezonden is, diezelfde Jezus zegt: “zoals de Vader Míj gezonden heeft, zo zend Ik ook jullie”. En daar bedoel ik niet mee dat we nu allemaal de zending in moeten. Helemaal niet, dat levert alleen maar een stroom chistenen op die zich over en weer over de aardbol verplaatsen. Maar licht zijn op de plaats waar je gesteld bent, dat klinkt zo gewoon maar dat is, denk ik, wel onze opdracht.
 
Bij uitgaan, daarbij horen een paar dingen. In de eerste plaats dat je je openstelt voor anderen. Want anders werkt het natuurlijk niet. Dat vraagt natuurlijk áctiviteit, maar uitgaan is in de erste plaats een een méntaliteit en daarna pas een activiteit. Het begint er mee dat ík mij openstel voor anderen. Dat ik wézenlijk in iemand anders geïnteresseerd ben. Daar hoort ook bij dat je je vindbaar maakt, dat je toegankelijk bent. Dat je laagdrempelig bent. En bij het laatste hoort dus dat je je niet verhéft. Hoe méer ik mij zelf verhef, hoe hóger ik mij zelf plaats, hoe mínder ik toegankelijk ben voor een ander. En dat is wat christenen nog al eens naar hun hoofd krijgen, hè: jullie heilige boontjes, jullie voelen je zeker een stuk beter, of jullie kijken neer op mensen die niet geloven”. Of: “ja, ja,  mooie woorden op zondag, maar kijk eens door de week wat er dan van terecht komt”. Echt christen zijn betekent dat je mens bent met de mensen, dus dat je náast de mensen staat. En niet begint met een óordeel te geven over hoe ze doen of hoe ze zijn, maar dat je veeleer zegt: vertel eens, hoe komt het dat je leven er zo uitziet? Wat is jou verhaal, wat is jouw geschiedenis? En dat vind ik zó sterk van God, dat Hij helemaal niet oordeelt. “Ik ben niet gekomen om de wereld te óordelen”, zegt Jezus, “maar om haar te behouden”. Heerlijk wat een blijde boodschap voor de mensen!  Natuurlijk kom je soms rare dingen tegen, en ook mensen die dingen geloven, waarvan je denkt: hoe komen ze er op.  Maar mensen geloven dat en dan kan ik dat wel af gaan kammen, maar daar wín ik niemand mee, daar hélp ik ook niemand mee. Ik denk dat we net als God altijd op zoek moeten naar de inténtie van iemand, wat wil die mens wézenlijk. Want God ziet het hart aan, zegt de bijbel. Ik denk, dat als je dát soort dingen bidt, “Heer maak dat ik ópen oren heb, dat ik tussen de doorns en de distels het geluid hoor van de schapen die helemaal zijn verdwaald en vastgeraakt”, dat je er dan zeker van mag zijn, dat die gebeden verhoord worden.
 
En  het opvallende is: oordelen dat doen vooral mensen die alleen maar binnen zijn.  Want die zijn gewend aan: zó is het, dit is onze vaste routine, dit is onze vaste praktijk, altijd het zelfde patroon en alles wat anders is, wat daarvan afwijkt, dat is raar.  Als je zo denkt ben je al héel snel aan het oordelen. En mensen moeten dan kiezen: zich snel aanpassen of vertrekken. En ontmoeten op die manier dus niet de God die hen accepteert zoals ze zijn. Oordeel niet opdat je niet geoordeeld wordt, zegt Jezus. Dat zijn toch vrij stevige uitspraken, hè. Oordeel niet, Henk Moorman, opdat jíj niet geoordeeld wordt, want met de maat waarmee jij meet, word je zelf gemeten. Niet door God, want die oordeelt immers niet en veroordeel al helemaal niet. Maar mijn doen en laten wordt afgemeten door wat ik zelf in mijn hoofd heb. Als ik zelf steeds een meetlat leg naast andere mensen, en ze daar aan afmeet, dan kán het niet anders of ík denk dat mensen mij op dezelfde manier de maat nemen, dat ze op dezelfde manier naar mij kijken. Dus als ik die meetlat in mijn leven wegdoe, dán heb ik er zelf ook geen last meer van.
 
Prediker zegt: alles heeft zijn tijd. Er is een tijd om te planten, een tijd om te rooien. Er is een tijd om te huilen en er is een tijd om te lachen. Ik denk dat ook geldt: er is een tijd om ín te gaan en er is een tijd om úit te gaan. Dat je niet denkt nou moeten we áltijd uitgaan. Nee. En het kan best zijn dat je in een fase in je leven zit dat je zegt: laat me alsjeblieft even fijn binnen zitten. Dát heb ik nu nodig. Ik moet me even koesteren in de veiligheid,  ik moet even bijkomen, ik moet nu echt even niet naar buiten. Prima.  Geniet van de veiligheid die binnen is en schaam je niet. Maar zoek de balans hè. Het is zaak om in je leven evenwicht hebben in een hele hoop dingen. Óok hierin. In íngaan en úitgaan. En hóe dan? Hóe moet ik uitgaan? Das een goeie vraag. Ik kan je daar het antwoord niet op geven. Ik kan daar voor mijn eigen leven wel gedachten over hebben, maar ik kan het niet voor anderen zeggen. Hóe moet jij uitgaan? Vraag het maar aan degene die tegen jou zegt: Ík ben de Goede Herder, Ík leidt je uit en Ik ga je voor. Díe belofte heb je, dus vraag het maar aan je Heer. Amen.
 
Zullen we bidden?
 
Heer Jezus, hartelijk dank dat U gehoor hebt gegeven aan het woord van Uw Vader en bent uitgegaan, en ons hebt laten zien hóe goed en hóe liefdevol de Vader is. Dánk U Heer voor alles wat U daar voor over hebt gehad. Álle tegenspraak, álle tegenwerking, álle hoon en álle lijden óm maar te kunnen laten zíen hóe góed God is. Dank U wel. Heer, ik bid dat wij gehoor geven aan Uw woord, als U zegt dat U ons ook wilt úitleiden. Uitleiden, niet in spectaculaire dingen maar in een gezíndheid die oog heeft voor mensen om ons heen, mensen die hetzelfde verlangen hebben om God te leren kennen. Ik bid Heer dat we daar oog en oor voor krijgen. Dat we íngaan en úitgaan en weer íngaan, zodat we, in verbondenheid met U, onze bestemming vervullen en Uw koninkrijk verbreid wordt. Heer, daar zégenen we elkaar mee, dat we wat dat betreft ook Uw stem horen. 
 
Amen.

Bent u aangesproken door deze preek? Geef een reactie op: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
Maak de VOX website verder bekend en geef het evangelie van Jezus Christus door!