Monday, June 24, 2019

“He’s got the whole wide world in His hands”

Text Size

Rust en herstel - Psalm 42 - Duurt Sikkens

Wil je Psalm 42 opzoeken::
Voor de koorleider, een leerdicht.
Gelijk een hinde die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God.
Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God;
wanneer zal ik komen en voor Gods aangezicht verschijnen?

Dit is een leerdicht en dat ligt mij wel, want ik leer er heel veel van en wil graag hier en daar wat uitleggen over deze psalm.

De dichter van dit gedicht bevindt zich niet in Palestina, maar daarbuiten. Hij is ver van Jeruzalem en hij vertoeft onvrijwillig in een vreemd land.
In vers 7 staat daar iets over. Hij is in het noorden, ten noorden van dat gebied, het land waar hij eigenlijk thuishoort, zijn thuisland. Daar verlangt hij alleen maar naar, want hij bevindt zich eigenlijk op de plek des onheils en daar ontvang je geen heil. Hij verlangt naar de plek des heils en dat is Jeruzalem, waar je genezing ontvangt. Noorden is in de bijbel altijd een beeld van de plek waar het onheil vandaan komt. Wat doet hij daar? Misschien is hij weggevoerd, gedeporteerd, hij wil er niet zijn maar hij is er wel en dan verlangt hij reikhalzend naar de tempel in de stad van dat land.

Vandaar de titel, die er in deze bijbel boven staat, een treffende titel: HEIMWEE. Heim is huis, wee is pijn. Vanbinnen heb je pijn omdat je je heim, je thuis, je leefplek kwijt bent. Je bent niet thuis. Dus hij ervaart eigenlijk de pijn van de ballingschap. Denk bijvoorbeeld ook aan de verloren zoon, die had ook heimwee. Hij dacht alleen maar: “Was ik maar thuis”. En nu vergelijkt de dichter hier zijn ziel met een hinde, dat is een vrouwelijk dier. In het Hebreeuws staat er dat de ziel verlangt naar de beekbeddingen. En dan snap je beter waarom het gaat.

Er staat namelijk in Psalm 104 een heel opvallende tekst: God zendt de bronnen naar de beddingen. Moet je je even voorstellen: een bedding is dan droog, God ziet dat en Hij denkt: die heeft een bron nodig, dus HIJ zorgt voor een bron en die bedding is een beeld van een mens. En dat is mooi, want dat is ons overkomen. Wij hebben allemaal een bron gekregen.
Jij schept niet meer eindeloos water uit een bron maar je bènt een bron. Daar heeft God voor gezorgd en een bron is een beeld van de Heilige Geest. De Heilige Geest heeft van Jezus een bron gemaakt, want het is de Geest uit God. God is de bron van alle dingen en toen kreeg Jezus een deel daarvan. Laat ik het zo maar zeggen. Ik heb nooit meer dorst, ik sta nooit meer als een hert te hijgen naar water. Je bent een bron.
Tijdens een loofhuttenfeest, in Jeruzalem, ging Jezus gewoon ergens staan, moet je je even voorstellen, tussen al die mensen daar, marktlui en feestgangers en hij roept: als iemand dorst heeft, kom hier en drink, en er zullen stromen van levend water uit je binnenste vloeien (Joh 7:34). De mensen worden een beetje stil. De een zegt: ja, hij heeft gelijk, hij is een profeet, en een ander zegt: nee, dat kan niet. Afijn, zo gauw je het woord van God vertelt, krijg je een scheiding van geesten. Je krijgt voor- en tegenstanders.
Maar stel het je nog eens voor, dat heeft onze voorganger lopen roepen, op dat loofhuttenfeest. Eigenlijk kun je dus zeggen: elk mens is in principe een bedding. Elk mens. Want God heeft zijn blik gericht op de hele mensheid en wie de Geest heeft gekregen, is een bron waaruit water stroomt. En wie dorst heeft kan naar jou gaan en drinken. JIJ kan de dorstigen water geven. Kijk, jij woont in het geestelijke land der belofte, het koninkrijk Gods. Het land der belofte, dat is het land van de Geest Gods. Daar woont God, laat ik het zo maar zeggen. En Hij woont in de mensen die in Hem geloven en van Zijn Geest hebben ontvangen.

Nu zijn er onder de gelovigen heel veel onderlinge gradaties. Je hebt bijvoorbeeld mensen die buiten dat beloofde land wonen. Ze hebben geen deel gekregen aan Gods Geest, maar ze hebben wèl heimwee. Ze geloven niet zoveel, ze geloven wel dat God bestaat en ze hopen dat ze, als ze dood gaan naar dat koninkrijk van Hem gaan. Zoiets. Verder gaat hun verlangen ook niet en ze zijn ook vaak zo onderdrukt, of aan het twijfelen gebracht. Dat zie je vaak aan de opschriften boven overlijdensadvertenties. Die spreken meer van hoop dan van zekerheid. En dat is dan eigenlijk zo’n beetje alles.
Ik heb eens een interview gezien met een kardinaal. Die man die hem interviewde, die had een goeie vraag. Hij zei: “Waar loopt het uiteindelijk voor u op uit?” Toen sprongen de kardinaal de tranen in de ogen. Hij zei: “Ik bid, Heer ontferm u over mij”. Ik dacht: ach jonge, dat heeft Jezus al zo lang geleden gedaan, sinds Golgotha. Geliefde vriend, lees in je bijbel nog eens 2 Kor. 6:18.

Dan heb je ook gelovigen, die wonen wel binnenslands. Die hebben wat meer zicht op dat koninkrijk Gods. Die zien iets meer, die praten ook over dat koninkrijk. Een heel frappant voorbeeld: Die moordenaar aan het kruis naast Jezus: “Als u in uw koninkrijk gekomen bent”, zegt hij tegen Hem, “denk je dan aan me?” “Ga maar met mij mee”, zegt Jezus. Wat een geloof heeft die man gehad! Geweldig. Ja, die geloofde in zondevergeving, in schuldvergeving en in het binnengaan in het koninkrijk. “Ga maar mee”, zegt Jezus. Deze was het eerste plantje in het paradijs, laat ik het zo zeggen. Misschien een klein mosje, maar hij was er. Mooi hé?

Dan heb je nog een categorie gelovigen, die wonen in het geestelijk Jeruzalem. Wie zijn dat? Dat kun je nalezen in Psalm 87. Dat zijn mensen uit allerlei windstreken, Filistijnen, Tyriërs, Moren, misschien ken je die Psalm wel. In vers 5 staat beschreven dat ze opnieuw zijn geboren. Het geestelijk Jeruzalem is de moederstad voor alle wedergeborenen. “Je bent een hemelburger”, zou Paulus zeggen.
In die stad is een tempel, dat is het huis van God. En wie maken daar deel van uit? Dat zijn degenen die met de Geest gedoopt zijn, in wie God zich heeft gevestigd. En als er nou één ding is waar deze dichter van Psalm 42 in ballingschap naar verlangt, dan is het dat huis. Het huis van God. Eigenlijk verlangt hij er naar om dit wat wij hier hebben, mee te maken. Daar hebben al die profeten over geprofeteerd, over dit!
Denk ook aan het laatste vers van Psalm 23.

“Ze hebben over òns geprofeteerd”, zegt Petrus in 1 Petrus 1:10. Ze hebben hun leven er vaak bij ingeschoten. Waarom? Om dit! Wie gelooft dat? En niet wat ik hier zie, maar wat zich hier in ons onzichtbaar afspeelt. De psalmdichter verlangt er naar, zegt hij, om voor Gods aangezicht te verschijnen.
Wat wil dat zeggen? Vroeger werd ik daar bang mee gemaakt. Als ik ooit verschijn voor Gods aangezicht, dan zul je het beleven, je moet maar goed op Zijn gezicht letten want, als het op storm staat, dan ga je naar de hel. Zoiets. Ja, er worden nog veel mensen mee bang gemaakt. Ook in Pinksterkringen. En deze ziel in ballingschap verlangt ernaar om voor God te verschijnen. Er gebeurt iets heel moois want je zit het gezicht van je Vader! “Hij doet Zijn aangezicht over je lichten”, zegt Mozes in Numeri 6:25. Je komt zelf aan het licht, jouw mooie wezen. Je ware gezicht, dat is je gezicht in waarheid. Letterlijk staat er in vers 3: wanneer zal ik ingaan. Dus dan onderneem je een stap, dat veronderstelt dus een overgang van het ene gebied naar het andere. Je gaat ergens uit en je stapt ergens in. Ik zal je uitgangen en je ingangen bewaren. Ga maar, uit Egypte de woestijn in, uit de woestijn het beloofde land in, naar die tempel. Ingaan. Durf je dat? En dan komt er iets heel merkwaardigs. Daar staat letterlijk in de Hebreeuwse tekst iets veel mooiers. Daar staat: “wanneer kan ik ingaan en kan ik ontmoeten gezichten van God”. Gezichten van God, meervoud. Ja, maar de Heer onze God is toch één? Hij heeft zoveel kleuren, noem het maar gezichten. En hier zie ik gezichten van God. Niet wat ik uiterlijk zie maar van binnen en deze dichter in ballingschap hoopt ons te ontmoeten, laat ik het zo maar zeggen, zodat zijn identiteit aan het licht komt en dat komt aan het licht als jij die man, die vrouw beschijnt met je visie, hoe God hem ziet en je vertelt het. “Ik zal je eens vertellen wie je bent, echt”. “Want je ogen”, zegt Jezus, “zijn lampen”. Hij vergelijkt de ogen van de mens met lampen. Dus jij beschijnt iemand met Gods visie en dan komt hij aan het licht. Wat een mooie verantwoordelijkheid. In 2 Kor. 3:18 staat iets heel moois: Wij allen weerspiegelen de heerlijkheid des Heren. En let eens op dat allen, wij allen. Dus jij reflecteert Gods liefde en die liefde laat jij vallen op een mens, op christenen in ballingschap, op alle geestelijke buitenlanders. En roep maar: “Kom maar naar Gods huis” . Maar realiseren wij ons voldoende dat wij dus al die aspecten van Gods karakter reflecteren. Je bent namelijk een licht en je bent deel van het woord van God. Hier zitten de levende woorden Gods, want je spreekt namelijk woorden van eeuwig leven. Dus wat verlangt die dichter, naar wat bij ons het geval is!


Er zijn 3 schrijvers in het Nieuwe Testament geweest, Jacobus, Petrus en de Hebreeënschrijver die hebben zich gericht hebben op die gelovigen buitenslands. Ze noemen dat ‘in de verstrooiing’, in de diaspora. Daar hebben deze drie expliciet voor geschreven. En de Hebreeënschrijver zegt in hfdst 12:22: “Jullie zijn genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, tot tienduizendtallen van engelen en een feestelijke bijeenkomst van eerstgeborenen”. Wie zijn die jullie? Dat zijn deze Hebreeën en die zijn tot òns genaderd, de stad van de levende God.

In vers 4 staat: “Mijn tranen zijn mij tot spijze”, enz. Nou, die man is heel verdrietig van heimwee.
Zie vers 6: Hij spreekt zijn ziel toe. Daar staat in de grondtekst dat zijn ziel wòrdt neergedrukt. Er is een hand in je nek, die duwt je naar beneden, dan word je onderdrukt. Het gebeurt je, het overkomt deze dichter, zomaar. Daar heeft hij niet om gevraagd, maar het gebeurt. Waardoor? Niet alleen omdat mijn ziel in ballingschap is, dat is niet het enige, maar er komt nog wat bij. Moet je maar eens kijken in vers 4b: daar men de ganse dag tot mij zegt: Waar is jouw God?
Nog es in vers 11: mijn tegenstanders honen me, de hele dag zeggen ze: Waar is nou jouw God? Ken je die tegenstanders? Wie kent ze niet. Je staat bij een ziekbed of je praat met een psychisch wanhopig iemand en dan hoor je in de geest of iemand zeggen: “Waar istie nou die God van jou?”
Ja, dan hoor je ze roepen. Of je roept zèlf in je wanhoop: “Waar bent U?” Ja, Jezus hoorde ze ook schreeuwen hoor, dan hang je daar, onschuldig, ter dood veroordeeld, onder afschuwelijke pijnen en die geestelijke druk. En dan roept er iemand ineens: “Hij heeft zijn vertrouwen op God gesteld, nou, laat die hem maar eens verlossen! (Matth. 27:43)
Moet je eens kijken in vers 11: met een doodsteek in mijn beenderen…. Nou dat is niet de beste plek om iemand dood te steken, dan zijn er wel andere plaatsen. Beenderen staat in de Joodse traditie altijd parallel met je identiteit. Stel dat iedereen eventjes zijn beendergestel verliest, dan zak je toch helemaal in elkaar als een lege zak. En daarom zijn die beenderen een prachtig beeld van wat jou overeind houdt. Je identiteit. Ik vind het een mooi beeld. Daarom denk ik dat Jezus zijn beenderen niet verbrijzeld zijn toen hij aan het kruis hing. Ik vind het zelfs heel ontroerend: hij verloor nooit zijn eigenheid, wat ze ook met hem uitspookten, hij bleef altijd wie hij was. Jezelf niet verliezen, ook al heb je zoveel te lijden soms. Dat kan hoor. Hoeveel mensen hebben hier niet gewoon ellendige kwalen of worden geestelijk zo onder druk gezet dat je zegt: Hoe overleef je dit! En om dan je identiteit te bewaren: dat kost strijd, want het liefste laat de tegenstander jou je identiteit kwijtraken. En vooral de Goddelijke identiteit. Dat is dat je in Zijn onschuld wandelt, in jouw onschuld en dat elke bedekking weg is. Dàt is het waar Jezus en Zijn Vader voor gezorgd hebben. Dat wil de duivel niet, hij wil dat je ook je goddelijke afkomst verliest. Dat je het opgeeft. Dat je je gezicht verliest, eigenlijk, het gezicht waarin God zichzelf herkent, en dat dat verduisterd wordt, zodat het ophoudt te bestaan en je Gods heerlijkheid niet meer kunt weerspiegelen. Je ziel kan zo in ballingschap zijn! Beroofd van je identiteit, dat betekent eigenlijk: je bent niet meer die je bent. Dat is het ‘em. Mensen die van je houden, weten wel wie je bent, maar je ziel zit gevangen als een vogeltje in een kooi. Je hebt geen rust, je voelt je er niet thuis en je kan je vleugels niet uitslaan.
En als je je leefgebied kwijt bent, je thuisland, dan heb je pijn, dan heb je heimwee. Heimwee, je gaat haast kapot aan je verlangen.
Dan zegt de dichter in vers 5: ik wil mijn ziel uitstorten. Zie je waar hij dat doet? Kijk eens in vers 5. En mijn ziel uitstorten in MIJ. Ik wil mijn ziel in MIJ uitstorten! Is dat de goeie plek? Ja, als je niemand hebt bij wie je je verhaal kwijt kan, dan moet je het helaas in je eentje zien te redden en dat is lastig. Het is ellendig als je geen broer of zuster hebt om mee te praten.
In Psalm 37:5 staat die overbekende tekst: Wentel uw weg op de Heer en hij zal het maken. In een andere vertaling staat iets veel mooiers. Daar staat: Disclose thy way to the Lord. Ontsluit je weg voor God. Dat is heel wat anders. Ontsluit je weg. En laat er nou in het Hebreeuws staan: Vertrouw je weg toe aan. To commit. Toevertrouwen aan. Dat veronderstelt iemand die luistert. Maar als je zegt: “Ja, ik doe het samen met de Heer”, dan heb je het mis. Want je hebt toch een broederschap? Wie van ons is zó betrouwbaar dat je het verhaal van een medemens heel laat, dat je die medemens intact laat. Zijn wij zo betrouwbaar? Als je het durft, je ziel toe te vertrouwen aan een ander die het niet verder vertelt, dan lucht dat op. Dan krijg je alweer wat adem en, dan ben je al van een hele last af. Een luisterend oor, dat heeft God, en als je op Hem lijkt, dan heb jij dat ook. Je bent een vertrouweling.
Even een ander beeld. Twee wegen ontmoeten elkaar in die woestijn van jou. Je zit in je eigen woestijn, of je bent nog steeds buitenslands. En dan komt je iemand tegemoet. Hoe vind je dat? Die op zoek is naar jou! Dat dóet je wat hé. Jouw weg, zijn weg. Jouw levensloop, zijn levensloop. Hij is op zoek naar jou. Hij geeft je een hand, jij geeft hem een hand en dan ga je samen de woestijn uit. Twee levenslopen die één worden. Wat mooi. Dan ontvang je genezing. Je onrust verdwijnt als je jezelf toevertrouwt en iemand in vertrouwen neemt. DUS ontvang je genezing. Velen van ons doen dat, hebben het gedurfd en het is wel eens fout gegaan, dat weet ik best, maar de instelling was altijd goed. En dan zie je dat iemand innerlijk geneest. Je ziet het.

Vers 12, laatste vers, daar staat iets heel merkwaardigs. Dat staat ook in Psalm 43 het laatste vers. Daar staat in het Hebreeuws iets moois. Daar staat de “verlossing van je gezicht”. Het behoud van je gezicht, je identiteit. Bij God lijd je nooit gezichtsverlies. Je krijgt het juist terug. Nou, laat maar eens naar je kijken. Je durft Gods licht over jouw karakter laten schijnen en dan zal Hij vertellen wie je werkelijk bent. Hoe vind je dat! Er staat een tekst in de bijbel “Uw man is uw maker” en maker betekent ook hersteller. Hij weet wat een mens is. Dus ‘maker’ betekent ook restaurateur. Je verliest je gezicht niet, je eigen ik, jouw ziel, jouw pure allereigenste ik, wie jij bent, ja, dat is het hem. Je bent niet meer in ballingschap. Ik zie het bij verscheidene van ons gebeuren. Dàt geeft troost en rust. Dat komt door je verbinding met de vader. Dan kom je dus ook aan het licht. Dàt is het nieuwe verbond dat Jezus sloot, een vernieuwende verbinding. Moet je eens over nadenken. Je wordt een nieuw mens door die verbinding. Dus het nieuwe verbond is een vernieuwende relatie. Alle dingen worden in jou echt hersteld. Jezus kan gewoon tegen zijn vader zeggen als hij naar ons wijst: Zie ik maak alle dingen nieuw. Ik begin IN de mens, want de scheiding tussen goed en kwaad begint in het huis van God, binnen in je. Daar begint de scheiding tussen wat goed voor je is en wat niet goed voor je is. Dus de tekst (Petrus 4:19): het oordeel begint bij het huis Gods, betekent eigenlijk dat je een mooi mens gaat worden door Gods liefdevolle hand die jou tevoorschijn haalt. En mèt jouw gezicht komt Gods wezen weer tevoorschijn. Hoe meer je wint aan eigen identiteit, des te waardevoller ben je en dus blijkt God waar te zijn.

En aarzelend, ontroerd, maar wel heel duidelijk, kun jij zeggen:
IK BEN, want zo heet jouw Vader ook.
 
Amen

Laten we bidden dat we durven geloven dat God ons, in de gedaante van mensen die ons liefhebben, tevoorschijn brengt. Dat we uit de ballingschap terugkeren en rust en genezing ontvangen voor onze ziel.
Amen

Bent u aangesproken door deze preek? Geef een reactie op: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
Maak de VOX website verder bekend en geef het evangelie van Jezus Christus door!