Tuesday, June 25, 2019

“He’s got the whole wide world in His hands”

Text Size

Waarlijk mijn ziel, keer u stil tot God - Ps 62:6 - Simon Verdouw

Ik wil graag met u lezen Psalm 62:6. Daar staat: ‘Mijn ziel, keer je stil tot God, want van Hem is mijn verwachting. Hij is mijn rots en mijn heil, mijn burcht en ik zal niet wankelen’. Dan staat er ook nog voor: ‘waarlijk’; het is belangrijk en het is ook gewichtig. Ik maak me sterk dat velen van jullie deze Bijbeltekst niet zouden kennen. Misschien heel vertrouwd als je wat ouder bent, misschien onbekend als je wat jonger bent. Een andere vraag zou zijn: de beleving van deze woorden. ‘Mijn ziel, keer je stil tot God’. Zoals de Engelsen zeggen: “wacht”, mijn ziel wacht op God, in een toestand van rust. ‘Van Hem is mijn verwachting, hij is mijn rots en mijn heil, mijn burcht en ik zal niet wankelen.’
Dat is eigenlijk nog veel mooier, te beleven de wereld die in deze woorden verborgen ligt. Dat is tegelijkertijd ook mijn gebed op dit moment voor jullie en voor mijzelf, dat de heilige Geest onze harten zo zal aanraken en verlichten dat het niet alleen wóórden zijn, maar dat de wereld van contact met God en ontmoeting met God, dat we daar iets van zullen proeven en beleven en ervaren. “Heer help om te spreken en ook om te luisteren. Raak onze harten maar aan.”
 
Het was trouwens wel helemaal te begrijpen dat die woorden gesproken werden, want David had het erg benauwd. Mensen stonden hem naar het leven en hij was bang dat ze hem zouden vermoorden. Als je Psalm 62 doorleest, dan ontmoet je iets van de achtergronden van waaruit dit gebed klinkt.
En David begint om zijn eigen ziel toe te spreken. En je ziel, dat is eigenlijk het meest eigene van jou. Als je je lekker in je vel voelt zitten, als je een toestand van geluk ervaart. Of misschien juist het tegenovergestelde: als je gekwetst en geraakt bent, dan ben je dat in je ziel, in je wezen, in je hart, in iets wat ten diepste van jou is. Wat privé van je is, waar een ander respectvol mee moet omgaan, maar wat helemaal bij jou hoort. Datgene wat je nou als jongen, als meisje, als man, als vrouw, het meeste maakt tot wie je bent. Ik ben Simon en er is iets unieks in mij. Dat vindt mijn vrouw al heel lang erg mooi en daarom houden we zoveel van elkaar. Er zit zo’n goede kern in de mens. En dat heet dan ‘ziel’ of ‘hart’. Dat heeft God bedacht en gemaakt. God heeft ons zo gemaakt, met een ziel. Dat onderscheidt ons van Hemzelf, dat onderscheidt ons van de engelen en dat maakt ons ook heel andere wezens dan de dieren zijn. Het is het kostbaarste van ons mensenleven, onze persoonlijkheid. En het is het meest aantrekkelijke voor God waardoor Hij zich zo tot ons aangetrokken voelt. In hele mooie woorden spreekt Petrus daarover als hij het heeft in 1 Petrus over die ‘verborgen mens van het hart, die getooid is met een zachtmoedige en een stille geest die kostbaar is in het oog van Gods zoon.’
Ik probeer het wel eens zo uit te leggen: Je hebt een uiterlijk mens, die zien we allemaal. Maar je hebt ook een innerlijke mens: geest en ziel; waarbij dan die ziel, die kern, dat diepste, veilig omhuld is door  een – als het goed is – een kostbare en een stille en een zachtmoedige geest. En als je dan gedoopt bent met de heilige Geest, wat voor iedereen hoop ik het geval is, is dat ook nog eens ingepakt en opgesloten, verborgen in God. Mooi dat het zo met een mens kan zijn. Dat je innerlijke mens, het diepste, omhuld door je geest, ook nog omhuld met de heilige Geest, kan bestaan. En dan ook nog heerlijk in dit lijf woont en mag leven. Het is goed om mens te zijn. Vind je ook niet? 
Eigenlijk zegt Jezus: “Het is ’t ergste als er iets aan je ziel overkomt, als je daar schade aan zou lijden. Dat is het vervelendste wat een mens kan gebeuren.” Daarom kunnen we nooit genoeg ons leven overgeven aan Iemand die heeft gezegd: “Ik ben de goede herder. Bij Mij vindt je ziel rust. Ik ben degene die alle macht heeft in hemel en op aarde. Jezus is Iemand bij wie je ziel veilig is. Heden en toekomst, voor alle dingen tot in het eeuwige leven met God.

Het is eigenlijk een gesprek van David met zichzelf. Hij spreekt zichzelf toe. Goed om te oefenen tot je eigen leven te spreken. Maar dan samen met de heilige Geest, waardoor de Vader Zichzelf aan jou bekendmaakt.
Een andere vertaling die zegt voor dit vers: ‘Zoek rust mijn ziel, bij God alleen.’ Het klinkt een beetje als Jezus’ uitnodiging: “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal je rust geven.’ Stil zijn tot God, je tot Hem keren. Je hart tot God keren, is niet je wenden tot het kosmische al of ‘niets’. Het is ook niet een introspectie naar binnen om daar iets te vinden. Als David deze woorden spreekt, dan weet hij waarover hij het heeft. Hij kende God uit de ontmoeting. Samuël had hem gezalfd met olie en vanaf dat moment had hij de directe werking van de heilige Geest in zijn leven geproefd. En het állerergste waar hij het het allermoeilijkste mee had en het meest benauwd om was, was als hij merkte dat de heilige Geest van hem week, dat hij er niet was. Hij zegt dit in Psalm 51 vers 13 waarin hij zijn zonde, het overspel met Batseba belijdt en om vergeving vraagt. Dit was de reden dat de heilige Geest van hem geweken was. Dan roept hij het uit: “Oh neem Uw heilige Geest niet van mij, ik kan het niet verdragen als er geen contact is tussen mij en U. Als ik U niet kan ontmoeten.”  Ook zegt deze tekst dat je nergens anders echte rust en stilte kunt ervaren dan bij God alleen. Die immens grote God, die door de heilige Geest door Jezus zelf in ons midden is, is een oceaan van enerzijds onbegrensd leven en dynamiek en anderzijds een immense rust en stilte.
 
Als je over deze woorden mediteert en ze nog eens overdenkt, dan ontmoet je daar eigenlijk een mens in contact met God. Een schepsel dat zich bewust is van zijn Maker. Een kind dat in de ontmoeting is met zijn Vader,  een discipel die zit aan de voeten van zijn Meester. Er is een heel ontroerend voorbeeld – dat speelt zich af bij het Avondmaal - als Jezus met zijn discipelen Avondmaal viert, dan ‘liggen ze met elkaar aan’. Ze hebben een maaltijd met elkaar en ze liggen aan en van één van de discipelen wordt dan gezegd, Johannes, dat hij aan de boezem van Jezus ligt. Hij ligt gewoon tegen Hem aan met zijn hoofd tegen zijn hart. Wat een tedere omschrijving van hoe een discipel met zijn Meester omgaat. Hoe een mens in contact kan zijn met zijn God; met je hoofd tegen zijn hart. Moet dat niet heel gelukzalig zijn en dan óndanks alle omstandigheden. Ondanks wat er om je heen woedt, wat er soms in je eigen hart aan onrust, aan stemmingen, aan stemmen is wat er kan klinken. Toch, met alles wat in je hoofd zit, tegen het hart van de Meester. De ziel die zich stil tot God keert.

Die stilte kan ook een zekere sprakeloosheid inhouden. Als je beseft dat God je Maker is en tot je doordringt hoe groot Hij is, je zijn liefde proeft en ziet en bedenkt hoe groot God is, kun je in zijn aanwezigheid helemaal stil worden.
God kan ook zwijgen. Dat staat in Zefanja 3 vers 17: ‘Hij zwijgt in zijn liefde.’ En dat heeft een geladenheid en een positiviteit als de energie en de warmte van de zon. Die stilte in de ontmoeting met God, in het contact met Jezus Christus is altijd gekoppeld aan hoop. Aan: er gaat iets gebeuren, er komt iets! Jullie zien allemaal wel eens moeders met van die baby’s op hun arm. En die lieve bekjes, die kijken verheerlijkt naar die moeder, maar ondertussen gaat het hoofd onmiddellijk naar die borst als ze maar een kans krijgen om wat te drinken. Daar moeten ze het van hebben, dat is hun leven. Ik herinner me nog wel toen ik zelf één van de jongens op m’n armen had, zo’n mooie blik. En dat kind, dat bij zijn ouders zit – ik ga uit van een goede situatie – een opgroeiend kind dat met zijn hart met zijn ouders verbonden is; daar zit altijd iets van verwachting in, ook al is dat niet uitgesproken. Een kind verwacht het van zijn ouders voor z’n toekomst. Hij weet instinctief: van hen moet ik de impulsen voor mijn leven krijgen. Maar ook de mogelijkheden en de middelen. Zij gaan mij door dit leven heen leiden en loodsen en sturen en begeleiden. En een kind heeft er het recht op dat hij zulke ouders heeft die hun hele leven, zelfs al zijn ze het huis uit, voor ze blijven bidden, met ze blijven zoeken, met ze betrokken blijven. Die verwachting, die verwachting van leven. En waar het voor ons vast en zeker is dat we de schepping van God zijn en door Jezus Christus een nieuwe schepping zijn en we opzien naar onze God en Maker, naar onze Redder en Meester. In de ontmoeting met Hem ook nu in ons midden, is er naar Hem toe ‘verwachting’, dat Hij boven ons leven is. Dat uit Hem de kracht en de wijsheid en de impulsen komen om ons leven verder te leiden en te sturen. Hem die alle macht en kracht heeft boven alles en allen, het Hoofd van de gemeente is.

Het is als die discipel die opziet naar zijn Meester, die met zijn hoofd aan zijn hart is; rustend, zich overgevend. Maar als je hoofd op het hart van de Heer is, ben je het dichtst daar waar Hij ook tot je wil spreken. Ben je als een discipel wiens ogen op de handen van de Meester zijn om te ontdekken waar Hij je leidt, wat Hij van je vraagt, waartoe Hij je zendt.
Er was één vrouw (in Mattheüs 15:27) – ze hoorde er eigenlijk niet bij, ze was een heiden – maar ze ontmoette Jezus en kreeg verwachting van Hem en ze zag op Hem. En ze had iets geleerd van de honden. Daar had ze van gezien: ook al krijgen ze niks van hun baas, dat ze toch delen in de kruimeltjes. En haar geloof en verwachting werd door Jezus beloond met een machtige bevrijding en genezing van haar dochter.
 
Keer je stil tot God, tot Hem alleen. Sluit de deur achter je, bid tot je Vader in het verborgene. Maak je los van mensen, van situaties, misschien zelfs van de boze geesten. Dan is er verwachting. Zo sterk als een rots. Bij Hem is heil. Het is als een burcht, zo onwankelbaar.
Als je Psalm 62  bestudeert, dan zegt David deze woorden twee keer. In vers 1 zegt hij het ook. ‘Keer je stil tot God. Van Hem is mijn heil, mijn burcht, mijn rots, mijn heil. Ik zal niet te zeer wankelen.’ In vers 1 gaat het bijna fout. Maar weet hij waar hij moet zijn? En met de belijdenis en met zoeken van God komt hij steviger op zijn benen te staan en zegt hij in vers 6: ‘en ik zal niet wankelen’.

Heb je ook wel eens het gevoel dat je ‘te zeer’ wankelt? Ik vond het subtiele woorden. Ik dacht: “Dank U wel Heer”. De Psalmen beschrijven zo mooi gevoelens en situaties waar een mens zich in kan bevinden. Daar heeft Jezus ook Zijn kracht uit geput, uit de Psalmen. Hij heeft zelfs zichzelf ontdekt. Hij kwam zichzelf tégen in de Psalmen, wie Hij was, de Christus. Wat Gods plan met zijn leven zou zijn. Tot en met de details van zijn lijden en sterven en opstanding. Jezus las zijn Bijbel. Hij groeide ermee op. Hij identificeerde zich ermee. Het waren niet alleen maar mooie, bemoedigende woorden. Maar het hele plan van God lag er  voor Hem in besloten. En Hij maakte het zich eigen. Door met zijn Vader in de stilte in overleg te gaan over de woorden die Hij las. Daardoor ontdekte Hij dat Hijzelf dat woord mocht zijn. Waar zijn hoofd bij het hart van God de Vader was, waar Hij leerde en ontdekte, waarin Hij groeide en toenam. Later als Jezus volwassen is en aan zijn bediening bezig is, dan zoekt Hij nog steeds regelmatig die eenzame plaatsen op. Als Hij midden in het leven staat, midden  in de uitwerking van wat God van Hem vroeg, rondging door heel het land, preekte, diensten hield, gesprekken had, pastoraal,  tot diep in de nacht ….. al dat werk ….. waren er momenten dat Hij zich bewust werd van Psalm 62 vers 6 en zich terugtrok. Heerlijk was dat! Ze hadden daar bootjes en daar kon je zo het meer op! Toch schitterend als je je in de natuur kan terugtrekken in de stilte en zo je God kan zoeken en met Hem alleen zijn. Of Hij ging de berg op in de eenzaamheid om alleen te zijn, tot rust en stilte te komen bij God. Hij zag ook de noodzaak van dit alles voor zijn discipelen en daarom nam Hij ze af en toe even apart. Hij haalde ze uit hun drukke werk weg en zei: “Kom op jongens. We gaan ook weer de natuur in en jullie rusten een weinig. Het is belangrijk om even tot stilte te komen.”
Trouwens – en dat is iets wat me een keer heel diep raakte – dat was toen Jezus zijn discipelen uitkoos, alle twaalf, en bij zich riep, toen was het eerste wat Hij van hen vroeg, of aan hen opdroeg of wat Hij van hen verwachtte; Hij zei: “Ik heb jullie uitgekozen om met Mij te zijn. In de allereerste plaats in die vertrouwelijke, persoonlijke omgang met Mijzelf.”
 
Waar het nodig was bracht Jezus met gezag ‘stilte’. Soms gebeurde dat in bevrijdingen, als mensen buiten hun zinnen waren. Dan was één machtswoord van de Meester voldoende om die onrust en de boze geest te binden die daar in werkte en er kwam ontspanning, ja zelfs genezing. En het viel helemaal stil. Het verhaal van die bezetene die Jezus geneest en vervolgens helemaal goed bij zijn verstand en helemaal aangekleed aan de voeten van de Meester zit. Zo is onze Jezus; die het zelfs in handen heeft om een ziedende storm toe te spreken en tot bedaren te brengen. Dat is Jezus. Hij die alle macht heeft in hemel en op aarde. En als de discipelen zelf het niet voor elkaar krijgen om mensen te bevrijden – zo’n jongen die zwaar gebonden was en het lukt niet – dan besluiten ze om naar Jezus te gaan en erover te praten en zeggen: “Heer, hoe zit dat nou? Wat doen we fout? Wat gaat er niet goed?” Of als Jezus gesproken heeft over het Koninkrijk der hemelen en hun hoofd zit met meer vragen dan antwoorden, zoeken ze de Meester op om met Hem te overleggen en van Hem te horen.
Als je deze woorden op je in laat werken, dan voel je dat er ergens een geheim in zit. Een geheim van het soort, van een ontmoeting en een contact met God wat als een weldaad voor je leven is. In Psalm 73 vers 28 daar roept David het uit: “Wat mij betreft, maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te  zijn.” Alles in zijn leven was belangrijk, maar er steeg één ding bovenuit: “Het is mij goed om nabij God te zijn.”
 
Keer je stil tot God. Daar wil ik nog een andere kant van belichten. En dat is als volgt. Die stilte, dat is niet hetzelfde als alleen en eenzaam zijn. Jezus zegt in Johannes 8 vers 29: “God heeft Mij nooit alleen gelaten. Hoe het ook gegaan is, want Ik heb altijd gedaan wat Hij van mij vroeg.” Zijn discipelen verlaten Hem in de moeilijkste fase van Zijn leven. Dat had Hij ook gezegd: “Jullie zullen Me allemaal alleen laten.” En toch zegt Jezus:  “Ik ben niet alleen, want de Vader is met Mij”.
De enige plaats waar Jezus echt eenzaam was, dat was aan het kruis. Toen Hij van God verlaten was en alle duisternis die er maar bestond zich op Hem concentreerde. Het zelfs op aarde donker werd op de plek waar Hij was. Die godverlatenheid, die Jezus tot die uitroep drijft: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?” Die diepe eenzaamheid met de hele zondeschuld van de hele wereld op Zich, de heilige Geest van Hem geweken, helemaal naakt hangend aan het kruis. Die diepe eenzaamheid en verlatenheid heeft Hij, God dank,  alléén gekend. Maar Hij was ook de enige die het aankon om het voor een hele mensheid, jullie en mij,  weer mogelijk te maken dat we nooit meer alleen of zonder God zouden moeten zijn. Hoe moet je die zielsbenauwdheid van Jezus toch onder woorden brengen? Ik hoef het niet. Je kan je er een voorstelling van maken en tot diepe aanbidding komen tot Hem die dit volbracht heeft, die daartoe in staat was, die daartoe getrouw is geweest. Onze Jezus! Hij is zo groot. En zo te aanbidden, en te geloven en te vertrouwen. En je helemaal met alles wat je hebt en bent aan Hem over te geven. Wat er ook is; “Jezus, hier ben ik, hier zijn we. Wat U gedaan hebt, is zó groot.”

Daarom is Hij de Trooster die met ons mee kan voelen. Hij alleen en Hij het beste. Ik heb geleerd, om wat minder tegen mensen te zeggen, -  als je in gesprek bent over moeilijke levensomstandigheden – “Ik begrijp je.” Want een heleboel dingen kan ik niet begrijpen van wat mensen aan leed en droefheid overkomt. Iemand die zijn partner verloren heeft, de enige die zo iemand kan begrijpen is iemand die dat ook heeft meegemaakt. Toch kun je, als je jezelf door God bemint weet, dicht bij de ander zijn met liefde, geborgenheid en veiligheid. Zoals Jezus, met de genegenheid van de Vader, treurenden troostte en genas wat aangetast was, door Zichzelf met al zijn rijkdom aan mensen mee te delen.
 
Eenzaamheid komt veel voor, ook bij christenen. Als het echt erg is, maken mensen er soms een einde aan. Kleine kinderen, die door een echtscheidingssituatie alleen zijn, loyaal zijn, maar toch alleen. Of waarvan één van de ouders is overleden. Vlak dat niet uit hoe kinderen daaronder kunnen lijden, maar ook tieners. Ouderen die geen levenspartner hebben, of niet meer hebben. Jongeren die geen levenspartner kunnen vinden. Hoe alleen kunnen mensen, kinderen op school zijn. Hoe alleen kun je je voelen in je werk, in de maatschappij, in de gemeente. Hoe ervaren mensen niet – om wat voor reden ook – dat ze buitengesloten zijn,
niet begrepen worden. Je kunt je zelfs nu heel eenzaam voelen.
David, weer diezelfde David, zegt in Psalm 25 vers 16: “Eenzaam ben ik en ellendig.” Koning, profeet, alles had ‘ie, kon hij, mocht hij. En als laatste is er ook nog een eenzaamheid waar je soms niet aan ontkomt als een stukje lijden van Christus, ter wille van Hem.

Lieve mensen, die stilte heeft God niet bedoeld. Wat is Gods uitspraak in het begin? Hij zegt: “Het is niet goed dat de mens alleen zij.” Dat komt van diep hoor, bij God, dat komt heel diep uit Zijn hart. En later kom je dan uitspraken tegen over God: ‘Hij die de Vader is van verweesden’.  En dan staat er ook: ‘Voor de vrouw die haar man mist voert Hij het pleit’. God, Hij in Zijn heilige woning. God, die vereenzaamden een thuis geeft, een eenzame in het huisgezin doet wonen. Dat is het hart van onze God, die zegt: “Het is niet goed dat een mens alleen zij.” Dat zit zo diep in Zijn hart en wezen verankerd, dat is zo kern van Zijn geest, dat als wij gedoopt worden in de heilige Geest of als we gedoopt zijn in de heilige Geest en naar wat we zo verlangen en verder vol van worden en ermee vervuld worden en het ons leven meer dagelijks constanter en sterker gaat beheersen, dan zal dàt van Gods heilige Geest ons troosten. Dan zullen we meer beleven, meer weten, meer ervaren van Zijn diepe verlangen om met ons samen te zijn om ons te troosten. Misschien wordt daarom de heilige Geest wel als eerste een ‘trooster’ genoemd.
En als wij door het leven gaan, onze dagen doorwandelen en de heilige Geest is in ons, misschien dat er dan momenten zijn dat de heilige Geest in ons geraakt wordt over een kind, over een broeder of een zuster en daar ineens een besef is van – of een registratie is – van eenzaamheid bij die ander. Ineens een open oog voor de situatie waar die ander in verkeert. En als je daar zelf op reageert, in meegaat, wat heb je dan een mooie kans om iets van een ‘thuis’ te bieden aan een ander. Een hart dat gastvrij is. Een huis dat open staat.
 
Jacobus brengt het heel kernachtig onder woorden in  Jacobus 1:27: ‘Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God de Vader dat is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en jezelf onbesmet van de wereld bewaren.’ 
Dat zegt iets van Jezus; meevoelen met onze zwakheden. Kan je je een mooier begrip, een mooier meeleven, een dichtere betrokkenheid van Jezus met je leven voorstellen? De inwonende Jezus die door de heilige Geest met je meevoelt. Dan kun je wel eens een moment van diepe eenzaamheid hebben en op je fiets zitten en tot de Heer roepen en dan opeens ervaren, alsof er een brug van jouw hart naar het Zijne geslagen wordt, en al die eenzaamheid een weg over die brug vindt naar Zijn hart en je jankend en dankend je weg kunt vervolgen. Zó dichtbij, zó betrokken, zó vol liefde, zo vol innerlijke ontferming en bewogenheid is onze Jezus voor wie met Hem leeft, wie Hem liefheeft. Meer hoeft niet.

Daarom zegt David in Psalm 62:9: ‘Gemeente, wees altijd veilig bij Hem. Stort uw hart uit voor Zijn aangezicht.’ Als die brug is neergegaan, stort uw hart uit voor Zijn aangezicht. God is voor ons een toevlucht. Dank U wel. En Jezus Christus is de grote Trooster. Jezus, die begreep het wel. Hij zegt: “Ik kom tot jullie.” En het is goed voor ons begrip van God en van Jezus dat, als Hij tot ons komt niet het eerste is om ons op onze fouten te wijzen, die we ongetwijfeld allemaal nog hebben, maar Hij komt tot ons en wat wij het eerste van Hem zullen merken is dat Hij een trooster is. Mijn hoofd aan Zijn hart. Een goeie leraar begint niet gelijk te onderwijzen, die schept eerst rust, die zorgt eerst dat je op je gemak bent en gaat dan aan de slag. Zo is Jezus. Ik wil het ook zo graag van Hem leren en ontvangen.

“Al die mensen die me na het leven staan”, zegt David “daar zorgt U wel voor. Dat is Uw probleem, niet het mijne.”
‘Waarlijk mijn ziel keer je stil tot God.’ En in die stilte vertelt Vader jou over Zijn liefde voor jou. Hij roept daarin jouw wezen te voorschijn. Dat doet jou goed en de Vader zelf ook. Hij wil niets liever dan bij jou te zijn, in die mooie relatie.
Broeders en zusters, de Heer is nabij. Dus kun je tot Hem naderen. Maar Jezus doet het ook wel eens andersom. Dan neemt Hij het initiatief. Weet je wat Hij dan doet? Dan komt Hij gewoon naderbij. Dan gebeurt er wat. Dat deed Hij ook vlak na zijn opstanding. Dat staat in Mattheüs 28:16. Toen was Hij bij zijn discipelen. En weet je wat er toen gebeurde? Sommigen, die vielen op hun knieën, die aanbaden hem. En sommigen, die twijfelden, van zijn eigen discipelen. Weet je wat Jezus toen deed?  “Hij trad naderbij”. Hij ging voor ze staan en met dezelfde liefde en bewogenheid plaatste Hij zich voor zijn aanbiddende en voor zijn twijfelende discipelen. Hij zegt: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.” Hij ziet voorbij aan hun twijfel en Hij spreekt zelfs zijn geloof in hen uit als Hij zegt: “En gaan jullie maar over de hele wereld en vertel maar en doop maar en leer maar en Ik ben met jullie, al de dagen en Ik zal je nooit alleen laten.” Goed hè?!
 
Maar lieve, lieve mensen, zo komt Jezus ook op dit ogenblik dichterbij en Hij is aan te raken, te benaderen, je hart voor Hem te openen. En Hij is de grote trooster en degene die aan je leven rust kan brengen.
Ik las in een dagboek van de Engelse prediker uit de 19eeeuw Spurgeon, het commentaar op Psalm 62:1. Daar staat: ‘Wacht op God, van Hem komt mijn redding.
En dan zegt hij er bijvoorbeeld van: “Wat een gezegende houding, alleen en waarachtig op de Heer wachten. Dat dit onze houding is, deze dag en elke dag. Wachtend op zijn gelegenheid, wachtend in zijn dienst, wachtend met een soort blijde verwachting en hoop. Bij  dit alles ook nog tevreden.  Als ik op die manier wacht, dan ben ik eigenlijk in de beste conditie en houding zoals een schepsel maar voor zijn schepper kan zijn, of een dienstknecht voor zijn meester, of een kind voor zijn vader. Ik bid de Heer dat Hij jullie en mij door de Heilige Geest helpt dat het vandaag zo zal zijn en morgen en overmorgen. En als het een keertje weg is, dan vlucht je weer naar zo’n tekst toe. De Heer zegene jullie.
 
Gebed
Vader, dank U wel, dat het bij U stil is. Dat we bij U tot rust kunnen komen. U doet dat door ons lief te hebben. Het is zo goed om die woorden van liefde van U te horen. Wat fijn dat U ons laat weten, dat U zelf ook zo blij bent met onze liefde. U en wij, we gaan in blijde verwachting verder.
Amen.

Bent u aangesproken door deze preek? Geef een reactie op: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
Maak de VOX website verder bekend en geef het evangelie van Jezus Christus door!