Thursday, August 16, 2018

“He’s got the whole wide world in His hands”

Text Size

Recht van spreken - Jona 1:1 - Jan Fluit
 
Ik wil graag met u lezen: Jona 1:1.
 
Het woord van de Heer kwam tot Jona, de zoon van Amittai:
Maak u op, ga naar Nineve, de grote stad, en predik tegen haar, want haar boosheid is opgestegen voormijn aangezicht. Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, weg van het aangezicht des heren

Dan vind hij een schip en betaalt netjes en dan gaat hij weg, precies de andere kant op van wat god gezegd heeft. God had gezegd (Ik vat een aantal dingen samen) dat hij moest gaan prediken tegen boosheid. Daar zat boosheid in Nineve. Daar was in Nineve veel aanwezig wat God boosheid vond, kwaad, verkeerd, duister, negatief, en God vond dat er iets aan gebeuren moest. En als God vind dat er iets aan gebeuren moet dan weet hij dat hij medewerkers heeft die dat gaan verwoorden, die gaan zeggen wat God denkt. Nou, zulke mensen heetten ’profeten’ en dat weten jullie want dat zijn jullie in principe zelf. Een profeet is iemand die de woorden Gods doorgeeft zoals Hij ze tegen de profeet spreekt.  Dus denkend over prediken tegen boosheid van Nineve, heeft God een profeet die hij daar naartoe stuurt. Maar als God een profeet wil laten spreken en die profeet denkt, ‘dat doe ik niet’, dan stopt het spreken van God, en dat is jammer. Want dan gaan dingen waarschijnlijk niet in beweging komen zoals God dat in gedachte had. 
 
Waarom haakt Jona af, waarom haak ik misschien af in bepaalde omstandigheden. Nou omdat het een wel een heel moeilijke taak was. Wat voor weerstand kon hij daar verwachten? Het was zo’n vreselijk grote stad. En daar moet een boodschap gebracht worden om de boosheid op te heffen. En Jona vind die taak gewoon te zwaar.
 
Nou, om op een goede manier naar Jona, en wellicht naar jezelf te kijken, hoe kom ik tot de conclusies dat zaken te zwaar zijn?  Wat voor meting heb ik daarbij. Wat voor gedachten heb ik daarbij. Kan je als een Jona zo’n krachtige boodschap brengen die de boosheid van heel zo’n stad aanpakt. Kan je dat?
 
Als we kijken naar de taak die God ons geeft: Zijn wij in staat om medewerkers te zijn om de hele schepping van God te helpen herstellen. Zijn wij daartoe in staat? God zegt dat wel, maar kunnen we dat?
Als je kijkt hoe je je handen al vol kan hebben aan moeilijke situaties met collega’s, of gezinsleden, of aan jezelf. Dan denk ik, moeten wij van zulke grote dingen wel willen, en kunnen wij dat wel?
Kunnen we al die grote opdrachten wel aan, is ons evangelie en alles wat God ons aanreikt, is dat niet erg hoog gegrepen? Moeten we niet terug naar wat normaler proporties, want dat is veel te zwaar.
 
Als ik zo ga denken, dan vlucht ik bij de opdracht van God vandaan. Maar ‘opdracht’ kan ook een heel naar woord zijn. Wat ik dan liever wil zeggen is, dan vlucht ik bij het geloof dat God in mij heeft vandaan. Hij gelooft van Jona, dat hij een prediking kan brengen die de boosheid van Nineve opheft.  Dat gelooft God van Jona. En dat gelooft God vooral van zijn eigen woord, dat dat erin zit. En Jona is de zwaarte aan het wegen, en kiest daarom een weg bij God vandaan. En dat vind ik nou zo zonde. Als God aan het spreken gaat, als er dingen ontstaan, dat dan je conclusie over of het lukken zal, dat je dat bij God vandaan doet, dat je de zee opgaat, dat je oplossingen gaat zoeken op een plek waar ze überhaupt niet zijn, want die oplossing ligt bij God zelf. Als Jona bij voorbeeld gezegd had, ‘wel een hele zware opdracht God, ik heb wel wat bevestiging, ondersteuning en nader informatie nodig, want dit lijkt me zo moeilijk’. Maar hij keert God de rug toe en loopt daarbij weg en gaat de zee op. Dat is ook een beeld van het geestelijk, het releigieuze, los van God, diè kant gaat hij op.
 
En dan komt het schip waarop hij zit, in een zware storm, zoals in deze vertaling staat, deed de Heer dat. Je ziet dat vaak in het oude testament. Dat alles toegeschreven werd aan God. Maar wie wilde er nu een eind maken aan het leven van deze profeet? De duivel wil absoluut niet dat Gods Woord door Jona naar Nineve gebracht wordt. Daarom probeert hij de situatie van Jona, die zich op de zee bevind, te benutten.  Als hij hem daar te pakken kan nemen, dan heeft hij hem tenminste ook definitief te pakken. Op een gegeven moment als ze krampachtig proberen op het droge te komen, en die zee die wordt steeds woedender, alle goden zijn inmiddels aangeroepen, behalve de God van Jona,  dan ligt Jona te slapen. In een andere vertaling staat het nog duidelijker, daar staat ‘Jona die ligt als verdoofd”.
En dat zegt de kapitein ook tegen hem, ‘hoe kan je zo verdoofd zijn’ zegt hij.
 
En dat trof me zo, ‘hoe kan je nou zo verdoofd zijn, als God nou spreekt. Je zou ook kunnen zeggen: hoe kan je zo doof zijn voor dat spreken van God. Daarna zegt de kapitein: ‘spreek en roep jouw God aan’ want  Jona had wel eerlijk zijn geld betaald en had ook informatie gegeven waarvoor hij op de vlucht was. Dan gaat men op zoek naar de schuldige. Dat is ook een vast gebeuren, ook nu nog, het zoeken naar een schuldige.
 
Kijk maar in eigen bestaan, hoe dat vaak werkt, of je bent op zoek naar een schuldige of je voelt je zelf schuldig. Nou Jona onderkende dat hij de oorzaak was van deze storm. Dat het tekeer gaan van de zware storm te maken had met zijn verkeerde keuze. Dan zegt hij, ‘als je mij overboord gooit, dan heeft de zee zijn zin, dan heeft de tegenstander zijn zin en wordt hij wel rustig, dus inderdaad, je hebt een schuldige gezocht, die heb je gevonden, dat ben ik, geef mij maar prijs aan de zee. Nou dat betekent niet anders dan de dood.
 
En dat is ook kenmerkend, als je bij je God vandaan gaat, dan, kom je terecht bij het tegenovergestelde van God en van leven. Je ziet het vaker, ook bij profeten, dat verlangen naar precies het tegenoverstelde van wat God is en wat God spreekt. Och, laat mij maar sterven. Alsof daar zoveel oplossing in zit, als je sterft! Nou is dat trouwens waar, hoor, er zit heel veel oplossingen in sterven, maar dan uitsluitend in sterven aan zonde door het offer van Jezus te aanvaarden. Als je sterft aan zonde, kom je toe aan leven. Ik wil niet verlangen naar dingen waar niets in zit. Maar nu is de consequentie van zijn verkeerde gang, dat hij in de zee gegooid wordt, dan ben je dus weg. En dan vind ik zo mooi dat er staat, ‘en God die beschikte een vis’. Dus op het moment van je schijnbare ondergang, wordt dat niet je ondergang maar God zegt ‘ik voorzie in jouw redding’. In jouw bestaan.
 
Ik denk dat het niet voor niets is dat Jezus zegt, Je krijgt geen ander teken dan het teken van Jona, want zoals Jona in die vis zat, zo zal de Zoon des mensen in het hart der aarde zijn. Mattheus 12:40. Ook toen dachten de discipelen dat alles mis ging. Mensen kunnen daar heel veel last van hebben, van de gedachte ‘alles is mis’, dan ben je zo omgeven door verkeerde gedachten en door die daad die jij gedaan hebt, dat je denkt dat alles verkeer afloopt. Wat ik bijzonder vind dat er dan in een andere vertaling in Jona 2 vers 4 staat, “Hij had mij uitgezonden, de diepte in”. Dat is bijzonder, het zou zijn ondergang moeten zijn. Maar hij zegt: “U hebt me uitgezonden de diepte in, God”. Het werd dus een zendingsreis, de diepte in. Hij werd geconfronteerd met de dood. Maar als dat gebeurt samen met God, terwijl Jona nota bene verkeerde keuzes gemaakt had, dan is het vooral dat de dood geconfronteerd wordt met het leven. Want dat is het evangelie. Het evangelie staat niet in het teken van ‘wij willen het wel goed doen maar er is een tegenstander en hij bepaalt altijd’. Punt is dat als God een prachtig plan heeft, dat het de andere kant op beweegt. Dat plan wat hij heeft dat zet hij in beweging en wat hij in beweging zet, dat laat hij volkomen uitvoeren. Dus de dood die hier het laatste woord lijkt te hebben, en die precies zijn zin lijkt te krijgen, via de lijn van schuld en beschuldiging, die verliest hier de slag om Jona.  Want God is een God die een vis beschikt. Ik moest wel even aan denken aan het teken van de eerste gemeente, dat was ook een vis, Ichtus, Christus. Met Christus gaan dingen zo een andere kant op, ook al lijkt alles verloren. En Jona komt tot bezinning in de vis. Hij heft daar  een heel loflied aan in Jona 2, en hij komt ook tot conclusies.
 
Hij zegt toen mijn ziel in mij versmachtte en gedacht ik de Heer, en mijn gebed kwam tot u in uw heilige tempel. Een andere vertaling zegt: ‘naar de hal van uw heerlijkheid’. U brengt mij naar het gebied van uw heerlijkheid, van uw denken. En als het over heerlijkheid gaat dan heeft God altijd bedoeld: Het is bestemd voor een mens die tot zijn recht komt. Hij zegt ‘ik kwam in de omgeving van gedachten zoals u ze hebt’. Dan trekt hij een conclusie die ik zo duidelijk vind. In Jona 2 vers 8, daar zegt hij, en let op “Zij die nietige afgoden dienen, geven Hem prijs, die hun goedertieren is.” Of in de andere vertaling weer: ‘ die de wacht houden bij ijdelheden van niets moeten het voorwerp van een vriendschap verlaten’. Het is het een of het ander.  Een afgod leidt van God af. Als ik daaraan dienstbaar word, dan word ik dienstbaar aan de vergankelijkheid. (Rom. 8:21) Als ik daar dienstbaar aan ben, dan geef ik degene prijs die mij goedertieren is. Die laat ik dan gaan. Degene die goedertieren is, die barmhartig is, die laat ik metterdaad los als ik die andere gedachte voed. En de Heer is er, dat is profetisch gezegd, opdat wij verlost zouden worden van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid. Dat ik daar vrij van kom. Die dienstbaarheid aan wat vergankelijk is. En dat ik van daaruit toekom aan de vrije heerlijkheid van kinderen Gods. Dan ga ik een andere kant op. Dus het is een keuze. Waaraan ben ik dienstbaar, aan welke gedachte?
 
Maar wat ik ook heel erg mooi bij vind, dat die afgoden, die een zo grote rol vervullen en zo’n grote stem vaak hebben, dat die nietige afgoden genoemd worden. Hij zegt ‘het is nietig’. Wie z’n conclusie is dat? De conclusie van Jona, omdat hij weer in God’s ogen kijkt. In God’s redding. Hij denkt weer vanuit redding, vanuit dat wat God beschikt heeft. Die vis. Hij zegt, het dodenrijk had mij omgeven, maar ik leef wel! Ik leef. Dat is ook zijn redding.
 
Maar  wat moet je nou als God nou verder met Jona? Een profeet, weerbarstig, tegenstribbelend, denkt niet goed na, vlucht bij je weg? Nou dan gaat Hij hem redden. Dat heeft God gedaan. En daarna zou je verwachten dat Hij met een andere profeet verder zou gaan. Hij kan immers niet op Jona vertrouwen”? Maar hoofdstuk 3 alsof het hoofdstuk 1 is, zegt  ‘het woord van de heer kwam ten tweede maal tot Jona, “Maak u op, ga naar Nineve, de grote stad, en breng haar de prediking die ik tot u spreken zal.”’
De eerste keer was ‘predik tegen haar, boosheid is opgestegen voor mijn aangezicht’ en hier staat ‘breng haar de prediking die ik tot u spreken zal’. Een andere vertaling zegt: ‘Roep haar de roeping toe, die ik tot jou spreek.’ God had een roeping voor Nineve. Weet u wat ik zo mooi vind, Nineve moest op zijn kop, he. Ja. Die moest op zijn kop. Dat wilde God. Dat is geen verkeerde tekst. Er moest omkering komen. Bekering. Dat had God in gedachte. Hij vond dat het in Nineve boos was, verkeerd. Verkeerde gedachten, verkeerde motieven en ze liepen achter het verkeerde aan, dus er moest een geweldige omkeer komen van Nineve. Want God had een roeping voor Nineve. Hij wilde mensen roepen in Nineve, die zo ver weg van God zaten. En hij zegt opnieuw, en dat heeft met Zijn geloof te maken, “Jona en jij ben de prediker”. Dat is toch eerherstel hè?. En dan zit dat geloof toch heel erg diep. Als God zo met je door blijft gaan.Ik had misschien gedacht: “Verder met Jona? Echt niet! Met Jona krijgt je niets dan problemen, Je moet er steeds achter aan, hij begrijpt het toch niet”. Maar Jona had inmiddels God ontmoet en had geweldige dingen uitgesproken. Jona was diegene die vertelde nu wat hij wilde, in hoofdstuk 2 vers 9. Maar ik, zegt hij, met lofzegging wil ik aan u offeren, wat ik beloofd heb wil ik betalen, de redding is des heren. Dus hij wilde offeren, zijn beloften nakomen, hij wilde betalen, en heel erg duidelijk, de redding is des Heren. Nou dan ben je wel een geschikte profeet om redding te gaan prediken over Nineve.
 
Dus Jona gaat preken, ik denk dat wij het verhaal wel kennen, en het was  wel een krachtige spreker, moet ik zeggen, ja maar hoe kwam dat? Nou God zei er dus nadrukkelijk bij: “je moet wel de woorden gaan zeggen die ik spreek”. Dat is dus wel heel erg belangrijk, dat je een weergave bent van datgene dat ik gezegd wil hebben. Hij sprak dat wel, maar zijn motieven waren niet zo heel erg zuiver. Want hij dacht, dat Nineve ten onder ging. Dat zijn krachtige spreken betekende dat het met die heidenen afgelopen was. Ze hadden het er naar gemaakt. Het was een heidense stad. Ze hadden het verkeerd gedaan. Nou als je dan krachtig gaat spreken, een krachtige boodschap brengt, en je denkt in schuld, dan verwacht je ondergang. Hij had daarbij die lofoffers en God willen betalen, dat had hij allemaal vertaald naar zichzelf toe. Dat heil, dat was voor hemzelf bestemd, de geredde dat was hij zelf. Zijn prediking heeft een fantastisch resultaat. De hele stad bekeert zich. Wat een heerlijk resultaat van de prediking van Jona.
 
Dan wordt Nineve gespaard. Maar Jona is hier niet blij mee, maar buitengewoon ontstemd. Hoofdstuk 4. En zo kan je ook bidden. Vers 2. En hij bad tot de Heer, en toen zei hij, ‘O Heer, heb ik dat niet gezegd toen ik nog in mijn land was. Daarom heb ik dat willen voorkomen door naar Tarsis te vluchten, want ik wist dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig en groot van goedertierenheid en berouwhebbend over het kwaad. Foei God. Het is schandalig, want u allemaal in petto heeft. U bent barmhartig en genadig en  goedertieren. Dat wist ik toch van tevoren. Dan hoef ik toch niet ergens vandaan te komen als zo’n stad toch niet de verwoesting in gaat. Dat heeft toch geen zin. Dus zegt hij: “Neem toch mijn leven van mij. Het is beter te sterven dan te leven”. Wat voor gedachten heb je dan toch. God ik had een groot spektakel verwacht, een stad die ten onder gaat. Er wordt ook nu nog zo vaak vanuit wraak gedacht: ‘je vergeeft het nooit, ze hebben het zo fout gedaan en dan moeten ze ook een keertje goed de waarheid horen, ze luisteren nooit, ze hebben me zoveel aangedaan. Maar dan moeten wij zonodig weer barmhartig zijn. Nou God, U hoeft mij niet meer te sturen. Je wilt wel een profeet zijn, maar dan krachtige dingen he. We hoeven tenslotte niet over ons heen te laten lopen. Dan gaat alles mis. Dus strenger straffen, meer negativiteit, dan zullen ze wel leren. Maar u doet dat niet, en omdat u dat niet doet, is mij het leven helemaal niets waard. Hij tolt rond in de gedachtesfeer die niet Gods gedachte is, en Jona heeft zo gauw de dood bij de hand als oplossing.
 
Dit is diezelfde Jona die vlak daarvoor nog zei van lofoffers brengen wij aan u en uw huis o heer, geweldig en grote God, maar het is zo beperkt als het afwijkt van wat hij verwacht had, dan loopt het helemaal stuk. Wat moet God er nou mee? Wat moet je daarmee, als je zulke dingen meemaakt, of als je dat van een ander ziet. Wat zegt God dan? Wat God zegt dat vind ik zo helder, zo ontroerend. Hij zegt, ‘ben je terecht vertoornd? Zoals hij ook tegen ons kan zeggen: ben je terecht teleurgesteld? Ben je terecht ten einde raad? Ben je terecht kwaad? Ben je terecht de weg kwijt? Is dat terecht?’ zegt God. Datgene waar je je in beweegt, is dat recht? Is dat juist? Check je dingen? En bij de juiste persoon? Doe je dat bij God, bij Jezus? Functioneert daarin de Heilige Geest die je gekregen hebt. Of heb je geen Heilige Geest en wil je die dan ook niet graag ontvangen zodat je kan functioneren en controleren en uit je wispelturige bestaan gehaald worden naar een stuk vastheid in genade?
 
Het verhaal gaat dan verder. Jona zat buiten de stad. Hij had een hut gebouwd en hij zit te wachten wat er met de stad gebeurde. Dat was spektakel en hij zat eerste rang. Hij zou wel eens gaan zien wat het uitwerkte. En dan zorgt God voor een wonderboom, zomaar een plekje waar je kan zitten, jij in de schaduw, en wat doet nou mijn prediking helemaal he? Hoe werkt dat uit? En Jona, aan de ene kant is hij zo boos, en aan de ander kant verheugt hij zich zo over zijn wonderboompje he?, Hij heeft een wonderboompje. Geweldig, Een prive wonderboom. Anderen gaan ten onder, maar jij hebt een wonderboom. Je zit werkelijk eerste klas. Maar wat gebeurt er nou. Uitgerekend jouw wonderboom, die gaat eraan. Nou wat heb je dan nog? Niets. Dan heb je helemaal niets als je wonderboom eraan gaat. Dan gebeurt er van alles tegelijk. De boom die verdort, er is een gloeiende oosten wind, de zon steekt op je hoofd en Jona, wat voor conclusie trekt hij, denk je, ‘ik zou wel graag weer willen sterven’. Jona die beweegt zich rondom de dood als de dingen anders gaan dan hij gedacht had. En God zo dicht bij. God zò dicht bij. En hij zò kwaad, ergens zo eenzaam, blind voor wat de werkelijkheid is.
 
Wat was de werkelijkheid? Nog even weer uitgaan van dat dit de grootste stad ooit was, een stad van drie dag reizen. Wat een profeet. Wat een woorden Gods. Die woorden die hij gesproken had, die leidden er toe dat een hele stad gered was, dat een hele stad zich keerde tot God, een hele stad God vond. Dat was de resultaat van zijn prediking. Dat was wat er werkelijk in gang gezet was, door zijn profetie.
 
Ik denk, als je kijkt naar jezelf, door je leven met God, wat ben je medewerker, en wat wordt je medewerker aan levens van mensen. Wat zet dat prachtige dingen in gang, en dan zit je zelf te kniezen, ‘dat is allemaal niets en stelt niets voor’, terwijl je in werkelijkheid dingen in gang gezet hebt, bezig bent in gang te zetten, die zo mooi zijn. Je zit te kijken naar je wonderboompje, je meevallers, je voorspoed, je succes. Kijk die wonderboom, daar kan je van zeggen, ja maar die moet toch kunnen blijven staan, nou neen ik denk het niet, van die prive wonderboompjes. Als je kijkt naar Jona, hij moest daar helemaal niet zitten. Hij zat te wachten op iets wat toch niet gebeurde, en wat hij veel beter kon gaan doen, onder  die boom vandaan naar die stad toe om te kijken naar het effect van zijn prediking. Om te luisteren naar getuigenissen van mensen die verloren waren geweest, maar dat op dat moment niet meer waren. Die gered waren. Die God gevonden hadden. Om te genieten en ook te leren van dat nieuwe leven.
 
En God zegt dan opnieuw, en dat vind ik mooi, dat God bij hetzelfde blijft, ‘ben je terecht boos?” Ik vind dat die vraag heel erg diep gaat. God legt iets neer waarvan de keuze verder aan Jona, of aan mij, is. Hij eindigt eigenlijk met een vraag,”kijk wat is recht en wat is rechtvaardig?”  De dingen waar ik op in ga, is dat recht? Heb ik toch teveel begrip voor wat niet recht is, en te weinig begrip voor recht. God die wil ons wel zo inleiden in recht dat wij daar rechtvaardigen van worden. God zegt, weet je wat mijn beweegredenen is?  in vers 10. “Jij wil de wonderboom sparen waarvoor je helemaal geen moeite gegeven hebt. Die heb je helemaal niet laten groeien. Daar heb je helemaal niets voor gedaan. Die is in een nacht ontstaan en in een nacht vergaan. Zou ik dan Nineve niet sparen, de grote stad, waarin meer dan honderd twintig duizend mensen zijn, die het onderscheid niet kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, benevens veel vee”. Ik denk dat het in dit verhaal gaat over kinderen, die dan nergens weet van hebben. Die echt nergens van weten. “Zou ik die niet sparen”.
 
Nou dan denk ik als wij medewerkers zijn om schepping te bevrijden, te beginnen heel dicht bij, dan heb je ook, geestelijk gezien, vaak te maken met mensen die het verschil niet weten tussen hun linker en hun rechterhand. Die waarheid niet kennen. Moet ik ze daarom afrekenen. Moet ik mensen afrekenen om datgene wat ze niet weten. D’r zijn al zo veel mensen prijsgegeven, ook in gedachte, omdat ze een verkeerd weten of een niet weten hadden, maar als je nou zelf wel weet, en je zet dat profetisch in, hoe royaal wordt het dan niet. En dan denk ik dat je een leven krijgt zonder privé wonderboompjes, maar waarin je in gemeenschappelijkheid, zo medewerker kan zijn aan leven, te beginnen bij jezelf, als je van God aanvaard wat hij over je zegt, en dat dat zo dicht bij is. Als ik die tekst ter harte neem,(Jona 2:8)   ‘Als ik die nietige afgoden dien, dan geef ik hem prijs die hun goedertieren is’, als ik dat nou eens omdraai, ‘als ik Hem dien die mij goedertieren is, dan geef ik de nietige afgoden prijs’. Dan geef ik prijs wat niet deugt. Dan neem ik daar afstand van, en zeg, God ik dien u, in wat u zegt en in wat u gelooft en u schijnt in mij te geloven als profeet dat  ik Uw woorden mag spreken, nou Heer ik weet soms helemaal niet wat ik spreken moet, maar als u mij woorden geeft en gedachten over mezelf en over de ander, dan wil ik die woorden spreken, dan wil ik me zo een maken met dat woord, dat ik dat woord word.
 
En al datgene wat niet weet mag genieten van wat wel weet. In Gods gedachte is er altijd een geweldige koestering over datgene wat onwetend, of weinig wetend is. Daar zit zoveel barmhartigheid voor dat zwakke, haal dat naar je toe. Als je denkt, nou ik ben ook een beetje een Jona, misschien wel, haal dat dan naar je toe. Moet je eens kijken wat een groot geloof God in je heeft, en hoe dicht zijn woorden bij je kunnen zijn terwijl ze vertroebeld worden door een tegenstander, die iedere keer nare gedachten daar tussenin wringt. Maar ik heb wat te kiezen, Ik heb wat te zeggen. Ik heb wat te bevestigen, en ik heb ook wat te ontkennen. Sommige gedachte die mag ik weren, net zoals in Jeremia 15:20 staat, dat de Heer ons maakt tot een koperen, onneembare muur, dat dingen er wel zijn, maar dat ik zeg, die komen er bij mij niet meer in. Ik heb namelijk de manier van denken van God aanvaard. Ik heb zijn liefde aanvaard en zijn grootheid en dan ga je misschien vol verwondering ontdekken dat jij al zo’n grote zegen bent voor Nineve, want als je het zo omdraait dat de Nineve’s waar jij nu mee te maken krijgt niet langer jouw bedreiging zijn maar dat die ter verovering aan jou gegeven zijn, dan heb je wat in handen, dan ben ik bezig de Ninive’s  te veranderen, in plaats dat Nineve mij veranderd. Dan is de verdrukker niet meer degene die mij verdrukt, maar dan is dat degene die door mij verdrukt wordt. Een andere manier van leven.
 
En hoe kan dat?   Nou wat God verweten wordt, uiteindelijk niet door zozeer Jona maar door die machten der duisternis, dat was barmhartigheid en liefde en ontferming. Als ik dat indrink en me daarmee verenig, dan moet je eens kijken wat er dan tevoorschijn komt. Het is zo mooi, het is echt zo prachtig om lief te hebben, om te beminnen, om genegenheid te verwerven, en daarmee door te gaan. Nou dan denk ik, dat als je dat omhelst, dan wordt het levend. Dan denk je, het is soms nog wat wankel, maar ik begin het door te krijgen hoe het werkt, en ik laat me ook heel bewust helpen door God, door zijn woord, door mijn broeders en zusters. Ik laat me helpen door datgene dat God tegen ons zegt in deze tijd.
 
Tot slot zegt God, als je die gezindheid hebt, weet je wat ik dan doe, dan geef ik jou steden. Die geef ik aan jou.  Dan moet je niet zozeer aan een stad of dorp denken waar je woont, maar gebied waar jij mee te maken hebt. Daar geef ik jou het beheer over, zegt de Heer. JIJ hebt het daarin voor het zeggen. Ik heb jou van mijn geest gegeven. Doe het ook niet op eigen kracht. Ik heb jou mijn geest gegeven. Daarin mag bepalend zijn wat Ik geloof en dat maak ik aan jou duidelijk en dat geloof mag jij uitspreken. Prachtig om zo samen met de Heer een weg van leven te gaan. En dat gaat zich uitbreiden tot over heel de schepping.
 
Amen.

GEBED
Dank dat u vanaf het allereerste begin gedacht hebt om U en mensen samen het leven te laten ontwikkelen, om liefde te proclameren, te beleven. Mensen recht en gerechtigheid bij te brengen. Ja een schepping te voorschijn te roepen zo gaaf en zo goed en zo mooi. Ik dank u dat u vastgehouden hebt aan uw oorspronkelijke plan, en dat u in deze tijd mensen deelgenoot maakt van datzelfde plan om medewerker te zijn aan leven. Heer en dan is onze beweging als het moeilijk wordt niet ‘bij u vandaan’ maar ‘naar u toe’. Heel dichtbij om te horen wat u spreekt.  Want daar gaat zoveel barmhartigheid en zoveel liefde en zoveel vrede en zoveel heling en zoveel verborgenheid van uit.

Ik dank u wel Heer, dat als er in ons bestaan een wisselvallige beweging is, dat u het stabiel maakt, dat u ons een plaats geeft dicht bij uw hart, vol van uw geest, en uw waarheid en uw leven. Ja dat we tot rust komen in datgene wat uzelf ook van ons gelooft.
 
Bedankt Heer dat u zo zegent en door en door goed doet, dag in, dag uit. Dat u dicht bij ons bent. Ontvang herstel van de Heer. Voor ons allemaal Heer. Dank u wel dat u een Heer bent van dichtbij en dank u wel dat u ons het recht geeft om te spreken. Dat u gelooft. Dat u ons oren geeft die nauwkeurig opvangen wat u tegen ons zegt. Ook tegen ons persoonlijk, aan barmhartigheid en aan geloof en aan ondersteuning en heling. Ik dank u wel Heer voor die nabijheid en prachtige leven wat u in gang gezet hebt, wat ook nooit meer stopt.
AMEN

Bent u aangesproken door deze preek? Geef een reactie op: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
Maak de VOX website verder bekend en geef het evangelie van Jezus Christus door!