Thursday, August 16, 2018

“He’s got the whole wide world in His hands”

Text Size

Hoe is God groot? - Henk Moorman
 
‘Hoe is God groot’, heb ik erboven gezet. Dat zijn dingen waar je niet snel over uitgedacht bent. Johannes begint zijn eerste brief met: “We vertellen van wat we hebben gezien en beleefd. We hebben het zelfs aangeraakt. Daar willen we over vertellen opdat jullie gemeenschap, net als die van ons, met de Vader is. Opdat jullie gemeenschap hebben met God de Vader en met Jezus, zijn Zoon.” Jezus zelf zegt het iets beeldender: “Wie mijn geboden bewaart, die is het die Mij liefheeft en als iemand Mij liefheeft, de Vader en Ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.”, lees je in het evangelie van Johannes (14:23).
En ergens anders, in Openbaringen zegt Jezus: “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop en als je naar Mij hoort en opendoet, dan kom Ik bij je binnen en zal Ik maaltijd met je houden.”.
Dat zijn beelden van gemeenschap hebben, van dingen delen. God wil gemeenschap met de mens. Je kan eigenlijk beter zeggen denk ik: God verlángt gemeenschap te hebben met de mens, dat is: vertrouwelijke omgang. Als iemand zegt: “Ik wil gemeenschap met je”, dan is het misschien beter om de deur maar dicht te houden, want dat klinkt niet respectvol hè. Maar als iemand zegt: “Ik zou wel heel graag vertrouwelijk met je willen omgaan”, dan is het een vraag. Dan is het geen wil die opgelegd wordt, maar dan is het een vraag. En ieder mens moet zelf beslissen of hij daar ja of nee op zegt.
 
Wat is er nodig voor gemeenschap, wat is er nodig zodat de mens vertrouwelijk met God kan omgaan? Kijk eens naar het ‘onze Vader’, waar Jezus zegt: “Weet je hoe je bidden moet? Bid maar: onze Vader die in de hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd”. Het is de eerste regel van het ‘onze Vader’. Ik denk dat je daar je leven lang mee bezig kan zijn. Voordat het echt is doorgedrongen wat dat betekent, dat je een Vader hebt en voordat waar is geworden dat je de naam van God geheiligd hebt in jouw bestaan, in jouw denken, in mijn denken …. daar gaat heel wat tijd overheen. Voordat je de naam van God hebt ontdaan van alles wat daar aankleeft en niet klopt omdat het niet bij God hoort. Alles wat eraan kleeft en wat er aan in de weg staat dat een mens op voet van vertrouwelijkheid met God kan omgaan. Nou, dan zijn we wel even bezig denk ik.
 
Wat staat er dan in de weg? Ik denk vooral het idee van: God is groot. Daarom begon ik ook met: Hoe is God groot? God is groot, dat zal iedere gelovige beamen. De vraag is alleen: hoe is God groot. Want het beeld van God is toch in het denken van heel veel mensen op een bepaalde manier ingevuld. En die invulling komt, denk ik, voor een belangrijk deel uit het Oude Testament. Daar lees je over een grote en geduchte god die niet met zich laat spotten, door wiens machtige hand het al gebeurt en die niet gering is in zijn gramschap als het gaat om de ongehoorzamen. Zo’n soort beeld hè, waarvan mensen zeggen: dát is een God die groot is. En in heel wat van onze liederen komt dat ook terug. Die gedachte zit er diep in hoor: God die op die manier groot is. Groot wordt dan dus ingevuld als ‘machtig’, als ‘verpletterend sterk’, als ‘alles naar zijn hand zettend’. Wij zingen in één van onze liedjes: “Onze God is zo groot, zo sterk en zo machtig, er is niets wat Hij niet kan doen”. Die God dus. Zo wordt het dan ingevuld.
En dan denk ik: is God werkelijk zo of  is dit het beeld van God zoals mensen bedacht hebbendat God eruit zou moeten zien. En als dat zo is, wat is dan de maat? Ja, dat is de mens. Dan begin je te redeneren vanuit de mens. En God is dan eigenlijk een soort supermens: Hij kan alles wat de mens kan, maar dan miljoen keer zoveel, zeg maar. Sterker nog: oneindig keer zoveel. En dan heb je een beeld van God. Zo zit het godsbeeld van een heleboel mensen in elkaar.
Ik las eens een boek van een prediker die daar over schreef. Hij zei: “Het is zo’n heidens godsbeeld. Het opperwezen – zo heet hij dan ook - als een enorme uitvergroting van hoe de mens is. Denk aan een soort supermens, maak die in je gedachten nog vele malen groter en dan heb je God. Hij kan alles wat de mens kan, maar dan oneindig veel meer. De mens kan zien, maar God is alziend. De mens kan aanwezig zijn, maar God is àlom tegenwoordig. Als mens kun je van alles weten, maar God is natuurlijk àlwetend. Als mens kun je genoeg hebben aan jezelf, maar God is àlgenoegzaam. Wat zoveel wil zeggen als: Hij heeft genoeg aan Zichzelf. Er is niemand die daar iets aan kan toevoegen. God is gewoon gelukkig met Zichzelf. Die zit daar gewoon heerlijk gelukkig te zijn in de hemel en het maakt Hem niet uit of jij als mens van Hem houdt, of je Hem serieus neemt, of je met Hem om wilt gaan. Dat doet niets toe of af aan Zijn geluk. Wat dat betreft lijkt Hij dan onveranderlijk, onbeweeglijk en onaangedaan.
Ja, en het meest van al, dè eigenschap die maakt dat Hij een God is, is natuurlijk dat Hij àlmachtig is. De mens kan machtig zijn maar God is toch wel àlmachtig, dé machthebber bij uitstek. Dat is toch wel de karaktertrek die, meer dan alle andere, typerend is voor een god, typerend is voor God.
En de gedachte dat God iets niet zou kunnen, dat is eigenlijk onbestaanbaar. Dat maakt dat Hij toch wel duikelt in de waardering, dan valt Hij in feite tegen. Dat zie je de hele geschiedenis door. Volken hebben hun eigen goden en als het ene volk overwonnen werd door het andere volk, dan nam het overwonnen volk de god aan van de overwinnaars, want die had bewezen dat hij sterker was. Hun eigen god was gebleken toch niet echt almachtig te zijn, die andere god was sterker. Dan was het verstandig om die god aan te nemen; dan had je zelf ook weer een god die sterk genoeg was om jouw vijanden te verslaan. 
 
Ik denk dat dat idee, dat beeld van God, nu juist blokkeert dat een mens echt gemeenschap heeft met God. Dat een mens echt vertrouwelijk met God omgaat, überhaubt God als een vader ziet. Want vertrouwelijk omgaan met, intiem omgaan met, gemeenschap hebben, dat kan alleen met een gelijke. Sowieso kan dat alleen met een soortgenoot. Kijk naar de hele schepping. Kijk naar de dierenwereld. Wat trekt met elkaar op? Wat gaat samen? Wat brengt nieuw leven voort? Altijd soort bij soort. Je ziet nooit een duif met een kraai scharrelen, zeg maar, of een olifant met een giraffe. Wat bij elkaar hoort, dat zoekt elkaar op, dat kan samengaan. En bij de mens is het net zo. Je hebt toch niet een goed gesprek met een paard of zo. Of het gevoel dat je kat je zo goed begrijpt. Natuurlijk kan je plezier beleven aan dieren maar je snapt wel wat ik bedoel. Alleen soort met soort kan gemeenschap hebben met een gelijke. Daar kun je vertrouwelijk mee omgaan.
 
Laten we eens een gedachten-experiment doen. Stel: God is eigenlijk een beetje iemand zoals jij. (Ik zeg stél). Stel, God lijk gewoon een beetje op iemand zoals ik, zoals jij. Iemand die niet alles kan, die ook wel eens iets niet kan. Iemand die niet àlles weet. Iemand die niet in een handomdraai elk probleem oplost. Iemand die niet hocus-pocus een situatie verandert. Wees eens eerlijk, hoeveel mensen zijn er die bidden alsof God zo is. Bidden, bidden en nog eens bidden totdat God eindelijk nu eens alles in één keer verandert. Dat gaat uit van dat godsbeeld, dat God dat kan. En dan komt ook altijd meteen de vraag: “waarom doet Hij dat nu niet. Ik bid toch al zo lang, en zo hard en zo vasthoudend.” Stel eens dat God niet alles kan, is dat erg, wat doet dat?
Voor mij geeft het wel ruimte, want je krijgt meer een Vader, een gelijke. Voor wie het dus ook uitmaakt wat jij denkt, hoe jij erop ingaat, hoe jij met dingen omgaat. Hoe jij naar Hem toe bent, want dat maakt weer uit hoe Hij op jou reageert en hoe Hij naar jou toe is. Dát is relatie, dát is gemeenschap. Echte gemeenschap kenmerkt zich door wederkerigheid: dat wil zeggen dat het van twee kanten komt, over en weer. 
Ik denk dat God daarnaar verlangt. Dat Hij eindelijk eens van die troon af mag, om het zo maar eens te zeggen. Kun je je dat voorstellen? Denk eens aan een paleis, in de grote zaal zit de koning, op zijn troon, omringd door zijn ministers en raadslieden. Is dat nu een plek waarvan je zegt: daar kan je nu echt eens gemeenschap hebben met iemand? Intieme en vertrouwelijke omgang hebben met een ander? Zo’n troon is groot genoeg. Daar zou je met z’n tweeën op kunnen zitten. Maar toch werkt dat niet hè. Vertrouwelijke omgang, gemeenschap, daar hoort geen paleis bij en geen troon. Dat heb je ook niet met machthebbers maar met degene jou benadert met alle respect voor wie jij bent.
 
Dan loop je natuurlijk wel meteen tegen andere vragen aan. “Maar”, zegt iemand, “hoe zit dat dan: God is toch mijn sterkte, God is toch mijn schuilplaats. Waar blijft dat dan?” Ja, dat is een terechte  vraag, want dat heb je nodig als mens. Dat je ergens terecht kan, waarvan je weet: hier ben ik veilig.
Zou het zo kunnen zijn dat je veilig bent bij God, omdat Hij een ontoegankelijk licht bewoont? Wat dat staat er hè, in 1 Tim. 6:16, “God bewoont een ontoegankelijk licht”. En dan denk ik: “Ontoegankelijk, ja maar voor de duisternis, niet voor de mens.” Je kunt je toch moeilijk voorstellen dat Gods licht ontoegankelijk zou zijn voor ons. Dat God zegt: “Ik wil wel graag gemeenschap maar jullie kunnen niet bij mij komen vanwege het ontoegankelijke licht.” En je zou dichter bij God willen komen en merken dat je tegen een verzengend licht aan loopt waar je voor terugdeinst. Dat is niet te rijmen met elkaar, nee. Ik denk dat God inderdaad een ontoegankelijk, een verzengend licht bewoont, voor de duisternis. Die zal inderdaad op afstand moet blijven want licht en duister verdraagt elkaar niet. En ik ben er van overtuigd dat het voor degenen die God liefhebben, een aangenaam en verwarmend licht is, waarin je je veilig kunt voelen. Want als je daar bent, dan weet je, de duisternis kan hier niet bij komen.
Ik denk dat dát die veilige burcht is en die schuilplaats en die sterkte. Wie in het licht wandelt vindt daar bescherming. En wie de Heer heeft aangenomen, wie Jezus heeft aangenomen, wandelt in het licht. Je zou ook kunnen zeggen: In Zijn gedachtenwereld. Als je in die sfeer leeft, in die gedachtenwereld, in die nabijheid, dan ben je dus veilig. 
 
Er komen natuurlijk meer vragen. Als je zegt: God is eigenlijk een beetje zoals jij en ik, dan zal iemand terecht opwerpen: “maar God is toch geen mens. God is toch meerder dan de mens?” Inderdaad, gelukkig is God geen mens. God is God en wij zijn mens en laten we dat alstublieft zo houden. Hij is degene die het allemaal begonnen is, uit wie alles is voortgekomen wat is, ook de mens. Hij is degene die ons uit Egypte, uit het huis van dienstbaarheid en slavernij heeft uitgeleid. Hij is degene die overzicht heeft waar wij dat niet hebben. Hij is meer, zo heel veel meer. Er staat in de brief aan de Efeziërs (3:20): “Hij is, blijkens de kracht die in ons is, in staat om oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen.” Als Hij dat kan, dan moet Hij dus ook oneindig veel meer zijn dan wij bidden of beseffen. Maar dat méér…. ja, hoe vul je dat in? Voor je het weet gaan we dat weer invullen als ‘groot’ en ‘imponerend’. Dat zit zo in ons Godsbeeld ingebakken.
 
Ik moet denken aan dat beeld van Nebukadnezar. Je leest erover in Daniël, hoofdstuk 3. Nebukadnezar maakte in de vlakte bij Babel een gouden beeld van 60 el hoog. Dat is ongeveer 30 meter. Dan heb je het wel over een beeld wat zo hoog is als een gebouw met minstens 10 verdiepingen. Dat maakt indruk, daar voel je  je als mens heel klein bij worden. En iedereen voor moest voor dat beeld knielen. Dan word je nog kleiner. En wie nog niet voldoende geïmponeerd was en nog moed over had die werd wel klein gemaakt door de angst voor de brandende oven die ernaast stond. Zo’n beeld van Nebukadnezar dat is het heidense beeld van ‘God is groot’. Het is het beeld van God als opperste en grootste machthebber. Het past helemaal bij Babel: het begin, het beginsel van Babel is macht. Babel is doortrokken van macht en de kern van het babelse godsbeeld is dan ook macht. Maar het deugt niet. Want God is dan op zo’n manier groot, dat ik daar als mens heel klein van word.
 
Ik zag ooit een keer, jaren geleden, dat is me altijd bijgebleven, in een christelijk blad een beeld getekend van God. Je zag een figuur, op een troon, groot en bladvullend, en hélemaal onderaan wat héle kleine stipjes. Dat waren de mensen. Ja, als je op die manier denkt over ‘God is groot’ dan staat dat toch haaks op ‘op vertrouwelijke voet omgaan met’, dat kan helemaal niet, dat sluit elkaar uit.. Het is zo’n heidens beeld als je dat zo invult.
Hetzelfde geldt voor minder. Als je zegt: “God is meer, wij zijn minder” en als je ‘minder’ dan invult als ‘van lagere orde, onaanzienlijk, niet de moeite waard’, dan heb je denk ik een verkeerde invulling van ‘God is meer dan de mens’. De mens is niet van een lagere orde. Leert Jezus ons niet dat God onze Vader is? Dan zijn wij dus van Zijn geslacht, van Zijn soort. En een kind is wel kleiner dan zijn vader maar niet minder. Een kind kán wel minder en wéét wel minder dan zijn vader maar ís daarom nog niet minderwaardig aan zijn vader. Ik zei het al: God is God en de mens is mens. Laten we dat zo houden zonder aan het feit dat God meerder is de conclusie te verbinden dat de mens dus minderwaardig is, onaanzienlijk en onooglijk voor God. Dat is de leugen die alle eeuwen door is verteld over God en de mens en die er voor gezorgd heeft dat de mens niet met God kon omgaan zoals God dat vanaf de beginne voor ogen heeft gestaan: vertrouwelijk en op voet van gelijkwaardigheid Dat is iets anders is dan op voet van gelijkheid, want de mens is niet gelijk aan God. Je bent van Zijn soort maar wel verschillend.
 
‘God is meer’ zei ik naar aanleiding van die tekst uit de brief aan de Efeziërs. “Hij is in staat om oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, blijkens de kracht die in ons is” staat er. Aan de kracht die in ons werkt kan je dus zien hoe God groot is; dat blijkt, dus dat moet te zien zien. Waaraan kun je dat zien? Aan wat Hij in jou bewerkt. En wat is Gods werk in mij? Als ik kijk naar wat God in mij heeft bewerkt, al die jaren dat ik hem nu ken, dan kom ik tot de conclusie: het zijn geen spectaculaire dingen, het gaat eigenlijk over hele gewone dingen, die heel dichtbij zijn. Waarvan de Bijbel in Zacharia 4:10 zegt: veracht niet de dag van de kleine dingen. Onze God is niet een God van grote en spectaculaire dingen, waar je als mens door overdonderd wordt, maar van kleine dingen. En dan heb ik het over nederigheid, zachtmoedigheid, ontferming, oog voor een ander, de minste willen zijn. Kortom de gezindheid die in Jezus is, met andere woorden: Liefde. Uiteindelijk is dat, denk ik, als je het samenvat, wat God ons bewerkt: Liefde. De kracht die dat bewerkt is geen geweldige kracht maar een “zachte kracht”. En dat is ook precies waarin God meer is; Hij is onze meerdere in liefde.
 
Het is ook niet toevallig dat Paulus, in dat zelfde stukje waarin hij zegt dat God zo oneindig veel meer kan, tegelijk zegt: “Ik bid dat jullie in staat zijn om te vatten: de hoogte en de breedte en de lengte en de diepte van de liefde van Christus.” Dat je in staat bent om die liefde te vatten. Want dààr is God groot in, in liefde. Onbaatzuchtige, onvoorwaardelijke en nooit eindigende liefde ! Dat is niet in woorden te beschrijven. En dat vatten is meer dan begrijpen, dat is beleven, doorgronden, ervaren, met heel je wezen indrinken, kortom er vol van worden.
Ik bid, zegt Paulus, dat je in staat bent om al die dimensies daarvan te vatten. Daar heb je een mensenleven voor nodig en nog wel langer denk ik. En dat lukt je niet alleen, daar heb je elkaar voor nodig. Want, zegt Paulus, sámen met alle heiligen ben je in staat om dat te vatten. God heeft ons niet zomaar aan elkaar gegeven. Zonder de ander zal het mij nooit lukken de hoogte en de diepte van de liefde van God de vatten. Die wetenschap behoedt mij er voor in de valkuil te stappen dat ik denk het wel alleen te kunnen.
 
En in die liefde van de Vader zitten een heleboel dingen; geduld bijvoorbeeld. Natuurlijk heeft God oneindig veel meer geduld dan ik, gelukkig maar. En natuurlijk heeft Hij oneindig veel meer mededogen dan ik, gelukkig maar. En ja, Hij is zo oneindig meer onbaatzuchtig dan ik ben, wat ben ik daar blij om. En is Hij veel creatiever in het bedenken van oplossingen, in het scheppen van nieuwe mogelijkheden; in het ontdekken van: hoe komen we hier samen uit, hoe kunnen we weer een weg openen, hoe kunnen we weer licht maken in de duisternis? Gelukkig wel. En ja zeker is Hij oneindig veel meer vergevingsgezind dan ik ben, gelukkig wel. God is in al die dingen zoveel meer, zo oneindig veel meer. Wat ben ik daar blij mee, dat God op die manier groot is. Kijk, dat is een een geruststellende grootheid, zo noem ik het maar. Dat is niet een grootheid waar je klein van wordt, maar dat is een grootheid waar je zelf van groeit. Dat is een grootheid die jou verheft, die maakt dat jij òòk groot wordt maar dan op diezelfde manier. Dat je mens wordt, zoals God dat vanaf de beginne heeft bedoeld.
 
Er komen vast nog wel meer vragen. Iemand zegt misschien: “Maar, er staat toch: de Zoon des mensen zal weerkeren met grote macht en heerlijkheid.” (Marc. 13:26). En Jezus zelf zegt toch: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.” (Matt. 28:18). Als je dat zo hoort dan gaat het toch wel over iemand met supermacht. Als iemand àlle macht in hemel en op aarde heeft, dan heeft verder dus niemand macht. Ja, dat zegt de Heer inderdaad. Maar lees het wel in het verband, hè. ‘De Zoon des mensen zal wederkeren met grote macht en heerlijkheid’, staat er. Maar waarom? Dat staat er ook bij. In Marcus lees je: ‘om mijn engelen uit te zenden en om alle uitverkorenen te verzamelen, om alle uitverkorenen uit alle windstreken te verzamelen’. Dáár is die macht voor. Dat is nu typisch een eigenschap van God: bijeen brengen, samenvoegen. Wij zijn zo geneigd de macht van God te verbinden met Zijn vermogen om spectaculaire dingen te doen en onze vijanden te vernietigen. Maar Gods macht komt vooral daarin tot uiting dat hij bijeenbrengt degenen die bij hem willen horen. ‘Onder Zijn vleugelen halen’ zou je kunnen zeggen, met een beeld. Dat is de context.
 
‘Mij is gegeven àlle macht in hemel en op aarde’. Ja, dat staat er, en in welke verband zegt Jezus dat, wat komt er meteen achteraan: ‘Maak alle volken dan tot Mijn discipelen’. Daar proef je niets in van: Mij is alle macht in hemel en op aarde gegeven en dùs zal Ik mij eens krachtig betonen en alle tegenstanders definitief in de pan hakken. Nee, ‘Maak alle volken tot Mijn discipelen’, dat is wat er meteen achteraan komt. Gods macht is dus het vermogen om mensen met Hem te verbinden. En hoe verbind je mensen met God? Dat kan op verschillende manieren: gehoorzaamheid kan je afdwingen, respect en bewondering kan je ook afdwingen, juist door grote en spectaculaire dingen te doen. Maar het enige wat je niet kunt afdwingen is liefde. En dat is juist wat god wil, dat de mens naar Hem toekomt uit liefde voor Hem. Als je op die basis een mens met God wilt verbinden dan kan dat alleen maar als God aantrekkelijk is voor de mens. Dus een God is voor wie je niet bang hoeft te zijn, bij wie je je niet onooglijk klein voelt, maar bij wie je je veilig weet en bemind. Dat kan alleen als de mens God kan zien als degenen die van hem houdt, meer dan wie ook. Kortom de macht van God, die ook wij mogen gebruikten, is het vermogen anderen te laten merken hoe vol liefde de vader is voor de mens.
 
Er is één tekst in het Nieuwe Testament waar God voorzien wordt van de kwalificatie ‘groot’. Er staat nérgens in het Nieuwe Testament ‘de Heer onze God is groot’. Er is maar één tekst waar het gaat over: de grote God. En dat is waar Paulus aan Titus (2:13) schrijft: “Wij verwachten de komst van onze grote God en Heiland, Jezus Christus.” Nu slaat dat op Jezus,  maar goed, je kan zeggen wat voor Jezus geldt, geldt ook voor God. “Wij verwachten onze grote God en Heiland, Jezus Christus”, maar wat staat daar dan weer achter? Niets van macht, kracht of geweld. Daar staat achter: “Die zich voor ons heeft overgegeven.” Dus daarin is Zijn macht openbaar geworden en Zijn grootheid, “dat hij zich voor ons heeft overgeven”. En dat is dan echt de enige tekst waar staat dat God groot is, tenminste in het Nieuwe Testament. In het Oude Testament kom je dat wel veel vaker tegen. Maar daarvoor geldt dan als sleutel: Hoe de Vader werkelijk is wordt ons in het Oude testament maar ten dele geopenbaard. Wil je weten hoe God werkelijk is kijk dan naar Jezus. Immers de Bijbel zegt in Joh. 1:18 “Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem van de Vader is, dié heeft hem doen kennen.” En Jezus heeft ons laten zien dat de macht van God de overmacht is van zijn zelfopofferende liefde.
 
Nog een andere tekst: Efeziërs 1 vers 19. Dat is een van die hele lange zinnen van Paulus, waar ik maar even halverwege begin. Hij zegt daar: mensen ik bid voor “verlichte ogen van jullie hart, zodat je weet hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus Jezus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten”.
Daar zit zo ongeveer alles in, hè. Het begint met kracht, en geen gewone kracht maar “overweldigend grote kracht”. En dan “de sterkte van zijn macht”. Dan denk je: dat is spierballentaal, nu zal het wel komen, de geweldige manifestatie van Gods macht.  En waar leidt het allemaal toe en wat heeft het uitgewerkt? Hij heeft daarmee Jezus uit de doden opgewekt. Weer diezelfde God die zijn kracht gebruikt om iemand, die ver weg is, helemaal in het dodenrijk, weer terug te halen naar het land van de levenden. Dát is overeldigende kracht. God die zijn macht, de sterkte van zijn macht, gebruikt om iemand tot eer te brengen door hem, Jezus in dit geval, de plaats te geven die Hem toekomt: bij de Vader in de hemelse gewesten, en wel aan diens rechterhand, dat is de ereplaats. Daartoe dient Gods macht en kracht: om de mens los te maken van dood en dodenrijk en hem tot eer en waardigheid te promoveren door die mens een plaats te geven in de hemelse gewesten, bij God zelf.
 
Waar het mij om gaat, is dat dit de context is als de Bijbel het heeft over ‘de macht, de kracht van God’. Het is zaak om je altijd af te vragen: die macht van God, waar dient die toe? Je kunt zeggen: God’s macht is het vermogen om de mens goed te doen, te zegenen, wél te doen. Om bijeen te vergaren, om te verheffen, om tot ere te brengen.
Gegeven het feit dat God macht heeft en dat er een tegenstander van God is, kan je je  afvragen: heeft God überhaupt iets met de duivel? Hebben ze een soort vechtrelatie? Waarbij God dan zegt: ‘Reken er maar op dat Ik toch sterker ben, want Ik heb àlle macht’. Of is het een soort gewapende vrede? Waarbij God tegen de satan zegt: ‘ik moet erkennen dat het fout is gegaan. Vooruit, jij bent heer over het rijk van de duisternis, maar Ik ben Heer over het rijk van het licht en jij blijft van mijn koninkrijk af’ Kan je je zoiets voorstellen?  Dat God zou zeggen: ‘Nu ja, af en toe ‘es een keer een invalletje, vooruit. Als jij mijn vriend Job een keer te grazen wilt nemen, vooruit dan maar, maar blijf wel van zijn leven af’. Ik kan me daar niets bij voorstellen, echt niet.
Is er wel vijandschap tussen God en de duivel? Ja, wel in de zin dat licht en duister elkaar absoluut niet verdragen, natuurlijk. In die zin staat het lijnrecht tegenover elkaar en sluit het een het ander uit. Want waar het licht verschijnt moet het duister wel verdwijnen. Dat is een wet in de natuurlijk wereld en ook in de geestelijke wereld. Maar is er verder vijandschap? Ik denk: iets wat zo oneindig ver van elkaar ligt, heeft niks met elkaar. Geen relatie, ook geen vechtrelatie.
 
Er is wél vijandschap, zegt de bijbel, tussen de méns en de duivel. Sterker nog, God heeft de mens benoemd tot vijand, tot tegenstander van de duivel. Lees maar in Genesis (3:15) waar God tegen de slang zegt: “Ik zet vijandschap tussen jou en de vrouw, tussen jouwe nageslacht en het nageslacht van de vrouw”. En dat is wel logisch, want de mens is wel benaderbaar voor de duisternis, voor de boze. De mens aangesteld als vijand van de slang, niet als diens slachtoffer maar als tegenstander van de boze. Als degene die de satan een halt zal toeroepen. “Ik zal de tegenstander onder júllie voeten vertreden”, zegt God “en Ik wacht af tot ze tot een voetbank onder mijn voeten zijn gemaakt.”
 
“Ja maar” zal iemand zeggen “er komt toch volgens Openbaring eens een grote strijd, een gigantische krachtmeting, waar God dan eindelijk eens groots gaat uitpakken en met donder en geweld alle duisternis in de afgrond werpt?”
Als je Openbaring, vooral hoofdstuk 19, goed leest dan gaat het iets anders. Dan zie je ook dáár dat God uiteindelijk zegt: ‘De mens zal dat moeten doen.’ Want hoe wordt dat beest uit de afgrond uiteindelijk verwijderd? Door die ruiter op het witte paard, en al die ruiters die er achter aan komen, met hun witte kleren, onbezoedeld, heilig. En die ruiter wordt genoemd ‘Trouw en betrouwbaar’ en ‘Woord van God’ en uit zijn mond komt dat zwaard en dát verslaat volken, de tegenstanders. En dan gaat het over geestelijke tegenstanders. Dat is niet God die daar met veel vertoon van macht orde op zaken gaat stellen. Dat zijn Jezus en de zijnen, die in staat zijn de boze te overwinnen. Dat is niet een enorme krachtmeting, met enorme rookwolken, waar uiteindelijk dan blijkt dat Jezus en de zijnen als overwinnaar uit die strijd te voorschijn komen. Jezus en de zijnen komen als ruiters op paarden aanrijden – het is een beeld -  en ze hanteren het woord van God. En die tegenstander wordt daarmee geslagen en verslagen. En het beest wordt gegrepen en in de afgrond gegooid zelfs vóór die er aan toekomt om oorlog te voeren.
Het zit hem dus in de in de inwendige kracht, in het licht, wat in Jezus is en in de zijnen. Ik denk dat het vergelijkbaar is met gebeurtenissen die we wel kennen van de tijd dat Jezus op aarde rondliep. En Hem is macht gegeven, niet alleen om zonde te vergeven, maar ook macht gegeven over boze geesten. Dat zijn geen gevechten. Jezus’ macht blijkt uit het feit dat Hij een woord spreekt en de boze geesten gáán. Want duisternis verdraagt geen licht. Er zijn situaties waarin ze dat licht zó voelen aankomen, dat ze al beginnen te schreeuwen, alleen al omdat Jezus in de buurt komt. “Wat hebt gij met ons van doen, Zoon van de allerhoogste God. Ben je gekomen om ons voor de tijd te pijnigen?” schreeuwen de boze geesten in die bezetene van Gardera. En ze vluchten alleen al voor het licht. Ik denk dat dat dè kracht, dè sterkte is van God en van Gods koninkrijk. Vol van licht, een licht dat als een verterend vuur werkt op alles wat duister is.
 
Zo zie je het beschreven in de bijbel, dat God zegt: Het is aan jullie, het is aan Jezus en zijn gemeente en de zijnen om te zorgen dat die duisternis uiteindelijk definitief uit de schepping verwijderd wordt. En die mensen die Jezus volgen, dat zijn de mensen die gehoor hebben gegeven aan de oproep die daar vlak voor staat, in hoofdstuk 18 van Openbaring: “Trek uit Babylon”. “Trek uít mijn volk”, wordt daar gezegd. “Trek uit Babylon opdat je geen deel hebt aan haar plagen.” Want wat is Babylon? Babylon is de griekse benaming van Babel. En wat is Babel? Dat is een grote stad, je kent de geschiedenis wel. “Laten wij een toren maken en opklimmen naar de hemel” zeggen de bewoners van Babel. Waarom willen ze dat? Wat drijft hen daartoe? Macht! Want wat is het begin van Babel, het beginsel van Babel? Dat is macht! Lees maar eens in Genesis (10:10): wie stichtte Babel? Nimrod. En wat zegt de bijbel over Nimrod (10:8): hij was de eerste machthebber op aarde! En de eerste stad die hij stichtte was Babel. Nog wel meer, Ninevé ook. Maar de eerste was Babel. Dus de wortel, het beginsel van Babel is macht en vandaaruit zeggen ze: “Laat ons opklimmen tot de hemel, zodat ons niets meer onmogelijk zal zijn.” Dat zit achter Babel. Geen wonder dat de koning van Babel een monstrueus groot beeld laat neerzetten met de opdracht dat iedereen voor die macht moet buigen. Het is een gedachtewereld hoor. En het is natuurlijk makkelijk om te zeggen: “Babel, oh dat is de valse kerk. Laten wij eens om ons heen kijken. Waar zien wij de  valse kerk?”  Ik denk: we kunnen beter naar onszelf kijken, want God zegt niet tegen ongelovigen maar tegen zijn volk dat het moet uittrekken uit Babel. Babel is een gedachtewereld. Het zit in je denken voorzover je denken wordt geleid door principes van macht. Het zit in je denken voorzover je God in verband brengt met principes van macht. “Laat uw naam geheiligd worden” leert Jezus ons bidden. Dat wil zeggen: maak Gods naam en Zijn wezen los van alles wat duisternis is uitoefening van macht.
 
De Bijbel beschrijft twee koninkrijken en de botsing daartussen. De strijd tussenalse kerk?ens even om ons heen kijken. en: ld hoor. E onmogelijk zal zijn.ber.ng uit wordt geholpen.  het koninkrijk dat gebaseerd is op liefde en op respect, het koninkrijk van God, het koninkrijk van het licht aan de ene kant en het koninkrijk dat gebaseerd is op macht en op geweld aan de andere kant. Dat zijn de tegenstellingen die tot een ontknoping komen in Openbaring waar eigenlijk de hele Bijbel over gaat en zéker het evangelie van Jezus Christus.
Die tegenstelling zie je de hele Bijbel door maar die wordt openbaar met het optreden van Jezus. Jezus zegt in Matth. 11:12 “Het koninkrijk van God wordt geweld aangedaan, lijdt geweld, en geweldenaars grijpen ernaar.”  “Geweldenaars trekken het aan zich”, zegt een andere vertaling. “Geweldenaars nemen het in, proberen het in hun macht te brengen.”  Ze proberen namelijk het denken over God te infiltreren, te kleuren met dat godsbeeld dat uitgaat van die God die zo machtig is en zo groot. En dan heet het nog steeds koninkrijk van God en het heet nog steeds evangelie. Maar het is een koninkrijk geworden waar de machthebbers de baas zijn, waar de geweldenaars aan de macht zijn. En die verordenen in kerken en gemeenten dat de leiders de baas zijn over de kudde, in plaats van dat de leiders er zijn ten dienste van de schapen. En die schapen moeten goed luisteren en goed doen wat van hogerhand gezegd wordt, want de leiding is toch een soort opperwezen, niet de echte, maar toch een beetje afgeleid daarvan, een soort opperwezen en die deelt de lakens uit. Daaraan herken je de machthebbers. Ze lijken niet op de enige echte Voorganger, Jezus, die alles gegeven heeft om de mens te dienen. En die ook zegt: de meeste, de grootste in mijn koninkrijk dat is degene die alles dienaar is.
 
Het kan ook in je eigen denken zitten. Als ik probeer gewoon mijn zin door te drijven, ben ik bezig met macht uit te oefenen. Als ik koste wat kost mijn gelijk wil halen ben ik bezig om macht uit te oefenen, pas ik geweld toe. Als ik heel zielig zit te doen en vind dat anderen de schuld daarvan zijn en dat die het eerst maar goed moeten maken, dan ben ik bezig om te manipuleren en om macht uit te oefenen. Het lijkt zo zwak maar je kunt anderen er mee overheersen. Het zit in het denken hoor, het machtsdenken. En de vraag is: in hoeverre zit het nog in mijn denken, in mijn doen en laten. In hoeverre zit het nog in mijn denken over God, want dat gaat meestal samen. Als mijn Godsbeeld in meerdere of mindere mate nog doortrokken is van macht en geweld, dan komt het vast en zeker in mijn eigen denken over mijzelf en in mijn relaties met mensen naar voren. Het kan haast niet missen, want het is een denkwereld en alles begint in je denken.
Ik zou zeggen, laten we helemaal uittrekken, uittrekken uit Babel, uit die denkwereld en ons verdiepen, niet in ‘hoe groot is God’, maar in ‘hoe is God groot’ en we zullen de sfeer van Zijn koninkrijk ervaren.

Gebed
Vader dank U dat U zich laat zien aan ons zoals U bent. En er zijn vast nog zóveel dingen waarvan U zegt: “die kan Ik je haast nog niet duidelijk maken, daar ben je nog niet aan toe, maar dat komt wel.” Heer, dat geeft niet. We groeien erin dat we met U omgaan, omdat we een steeds helderder beeld krijgen van hoe U wezenlijk bent. Dank U wel dat U ons dat geheim toevertrouwt, want het is een geheim. Dank U wel dat U zichzélf aan ons toevertrouwt. Sommige dingen daar kan je alleen maar stil bij zijn. Het is fijn om te weten Heer dat het voor U ook vreugde is om met ons om te gaan. Dat het voor U een wereld van verschil maakt – een hemel van verschil misschien wel – dat wij met U willen omgaan.
Heer, ik bid dat we in alle fijngevoeligheid, in alle bescheidenheid ook daarmee omgaan. Dat we doorgaan met het heiligen van Uw naam, zodat U eindelijk in mensenlevens de plek krijgt die U zo graag wilt, tot heil van de mens.
Amen.

Bent u aangesproken door deze preek? Geef een reactie op: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
Maak de VOX website verder bekend en geef het evangelie van Jezus Christus door!