Friday, April 19, 2019

“He’s got the whole wide world in His hands”

Text Size

Gestalte noch luister - Jeasja 53:1 - Henk Moorman

Wie gelooft wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm van de Heer geopenbaard? Want als een loot schoot Hij op voor zijn aangezicht en als een wortel uit dorre aarde; Hij had gestalte noch luister dat wij Hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht.
 
Johannes zegt in zijn evangelie (1:18): “De Zoon heeft ons de Vader doen kennen”. Kijk naar Jezus’ leven, naar zijn wandel en zijn houding en je weet hoe God is. Maar dat niet alleen. Als je naar Jezus kijkt dan weet je ook hoe het God vergaat in  de wereld van de mensen. Jezus heeft dat uitgeleefd, vóórgeleefd, en ik denk tot in uiterste consequentie. Als je alle franje die mensen er omheen hebben bedacht even vergeet, dan zie je een Jezus, waarvan Jesaja zegt: Hij is onaanzienlijk. Hij is veracht zelfs. Dat is iets wat je in Jezus’ leven steeds terug ziet komen. Als een van de discipelen tegen een vriend van hem zegt: Wij hebben de Messias ontdekt, Jezus uit Nazareth”. Dan zegt die vriend: uit Nazareth, kan daar iets goeds vandaan komen? Nazareth ligt in Galilea. Galilea is in de ogen van de Joden een minderwaardig gebied. Het “Galilea der heidenen” wordt het genoemd, dat was tweede rangs. Daar woonden joden en heidenen door elkaar.  En met heidenen daar gaf je je niet met af, dat was een minderwaardig volk en daar ging je al helemaal niet mee aan tafel.  En als je dat toch deed als jood, dan was je toch min of meer verontreinigd.  Dus joden uit Galilea dat was tweede rangs, daar werd op neergekeken.
En uitgerekend dààr komt Jezus weer vandaan. Ja, dat is niet iets om mee voor de dag te komen. In tegendeel, het maakte dat de mensen zeiden: dat kan nooit veel goeds zijn. Hij was niet in tel bij degenen die er toe deden.. 


Je werd ook maar liever niet met Hem gezien, zeker niet als je er zelf toch een beetje bij wilde horen. En als je dan toch met Jezus wilde spreken dan doe je dat in het donker, zoals Nicodemus, die Hem ’s nachts opzocht, opdat anderen dat maar niet zouden zien.  Want dat straalde toch in negatieve zin op jezelf af, dan werd er over je gepraat. En het oordeel was al snel geveld:  men vond Hem een wijndrinker, en een vriend  van hoeren en tollenaars.  Dus niet in tel, veracht. 
Natuurlijk was dan anders voor “de zijnen”, degenen die hem volgden omdat zij aangetrokken waren, niet door de wonderen maar door wie Jezus was, door zijn gezindheid. De mensen die alles achtergelaten hadden omdat ze in zijn stem de stem van de Vader herkend hadden, omdat ze in Hem het waarachtige licht ontdekten dat alle mensen verlicht. Maar als je het hebt over de massa, over de wereld, dan geldt voor Jezus dat er voor Hem geen plaats is. “Vossen hebben holen, vogels hebben nesten maar ik heb niet eens een plek om mijn hoofd neer te leggen”, zegt Hij van zichzelf

Ja zelfs vóór Hij geboren was, was het al zo. Voor Jozef en Maria gold al: nee, sorry, er is geen plek, de herberg is vol, probeer het maar ergens anders. Geen plaatsvoor Hem. O, er liepen genoeg mensen achter Hem aan.  Bij de massa was Jezus wel in trek. Tenminste zolang zijn optreden hen aanstond. Want de massa haakt af als de aardigheid eraf is.  En wanneer is de aardigheid eraf? Als het niet meer zo geweldig gaat. Als er geen brood en vis meer wordt uitgedeeld, als er geen wonderen meer gebeuren, als Jezus niet de geweldenaar blijkt te zijn die men verwachtte.  Dus was het maar van korte duur dat de masa achter Hem
aanliep. Tussen “Hosanna” en “Kruisig Hem” zat niet veel tijd.
 
Dat is in het leven van Jezus een terugkerend thema: tenminste als je daar met aardse ogen naar kijkt: er is geen plaats voor Hem, Hij hoort er niet bij. En dan denk ik: zo vergaat het God ook in de wereld van de mensen. In Johannes 8:37 lezen we dat Jezus zegt: “Jullie zoeken mij te doden omdat mijn Woord
geen plaats bij jullie vindt.”  En Hij zelf wàs het Woord van God, zegt Johannes.  Datzelfde geldt dus voor God.  God zou precies hetzelfde kunnen zeggen.   “Ik vind geen plaats bij jullie”,  zegt  Hij tegen de mensheid.  En eigenlijk kun je van God hetzelfde zeggen als Jesaja van Jezus zegt:. Hij is een geminachte, Hij is vaak een randfiguur in onze samenleving geworden, een dakloze, iemand voor wie geen plaats en geen woning is bij mensen.
 
Soms is er alle aandacht voor Jezus en voor God. Bijvoorbeeld met Kerst. Dan staat Jezus opeens in het middelpunt van de belangstelling. Dat wil zeggen, iedereen is vertederd door het kindje Jezus. Maar wie laat Hem écht toe? Hoeveel plaats is er voor God, …voor God die een woning zoekt en onderdak vraagt bij de mens?  Want dat doet God. Ook Hij is niet graag dakloos. Hij zoekt zich een woning. Jezus zegt in het Johannes-evangelie (14:23): ”Als je mijn Woord bewaart, dan ben jij iemand die Mij liefheeft, en dan zullen de Vader en Ik bij jou komen en wij zullen bij jou wonen.”   Eindelijk onderdak voor God bij mensen, namelijk bij mensen die de deur openzetten voor Hem. Zo bescheiden is God ook. Hij dringt zich niet op, Hij dringt ook nooit bij je binnen maar Hij vraagt en wacht tot Hij uitgenodigd wordt. Je kent ook wel die tekst uit Openbaringen 3:20, waar de geest van Jezus tot de gemeente in Laodicea zegt: “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden.” 
 
Je kunt zeggen; gaan er echt zo weinig deuren open, er zijn toch heel veel godsdienstige mensen? Dat klopt, er zijn heel wat mensen doen aan godsdienst. Soms omdat het erbij hoort, soms uit angst of voor de zekerheid, soms voor een plekje in het hiernamaals. Soms ook voor de sfeer van blijdschap  Er zijn ook genoeg mensen die echt in God geloven. Daarmee bedoelen ze: geloven dat Hij bestaat. Dat is fijn, want daar zal het wel mee moeten beginnen.
Immers “wie tot God komt moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is van wie Hem ernstig zoeken” zegt de Hebreeënschrijver. 
Maar in God geloven is iets anders dan God geloven. Geloven dat Hij bestaat wil nog niet zeggen dat je voor God de deur open doet en Hem toelaat in je leven. Zelfs rekening houden met zijn bestaan en met zijn aanwezigheid is niet hetzelfde als huisgenoten zijn, je leven voor Hem openzetten en met Hem delen.
 
Met godsdienstigheid heeft God nog geen onderdak. God blijft wat dan toch een figuur op afstand, aan de rand van het mensdom, helaas.  Waarom gaan zo weinig deuren open? Ik denk wel eens omdat Gods macht verborgen is in onmacht.  Want als je er naar kijkt met de ogen van de wereld dan zeg je: wat stelt dat nou voor?  Zo’n eenvoudige timmerman, die, als het er op aankomt en de mensen Hem klem willen zetten of iets willen aandoen, niet zegt: ”en nou zal ik eens laten zien dat Ik de Zoon van God ben en Ik laat vuur van de hemel neerdalen omdat te bewijzen.” Nee liever dan dat te doen ontwijkt Hij zijn tegenstanders
en verdwijnt Hij in de menigte. Is dat nu de Zoon van God, bekleed met macht en majesteit?   
Het lijkt allemaal veel meer op onmacht. Merkwaardig, want hij was toch bekleed met de autoriteit van de Vader!  Inderdaad, Jezus beschikte over die goddelijke autoriteit en dat gezag van de Vader waardoor Hij de boze kon weerstaan en hem uiteindelijk kon onttronen. Het punt is alleen dat zijn heerlijkheid verborgen is in onopvallendheid,  zijn grootheid in onaanzienlijkheid, zijn kracht in zwakheid. Ik denk dat er daarom zo weinig deuren opengaan. Want de meeste mensen willen vertoon van macht, het liefst in de vorm van spectaculaire wonderen. Toen de tekenen en de wonderen ophielden en Jezus iemand bleek te zijn die
moest lijden was de liefde van de massa dan ook snel voorbij. Dat werd pijnlijk duidelijk toen de massa moest kiezen tussen Jezus en Barabbas. Alleen wie van zijn gezindheid geproefd had en zijn liefde had ervaren bleef bij hem.
 
Een opvallende verschijning was Jezus ook zeker niet. “Gestalte noch luister had Hij dat wij Hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd.” Geen charismatsiche figuur van wie je op afstand al kunt zien dat het om een bijzonder iemand gaat. Als Judas Jezus gaat verraden moet hij zelfs met de soldaten afspreken dat hij Jezus zal aanwijzen door hem een kus te geven. Jezus was blijkbaar zo gewoon en onopvallend tussen zijn discipelen dat dat nodig was.
 
En dan maakt Hij het zelf ook niet beter door met mensen om te gaan, waarvan je zegt: “In
zulk gezelschap kun je toch beter niet gezien worden, en je gaat toch zeker niet aan tafel zitten met die tollenaars, die hoeren, zondaars, vrouwen…”
Dat droeg er niet aan bij om van Hem een achtenswaardige persoon te maken, een
gerespecteerd rabbi. Maar Jezus zegt : ”Die mensen horen bij Mij, die horen er gewoon bij, ze zijn Mij kostbaar. Juist voor zulke mensen ben ik gekomen, voor mensen die met de nek
worden aangekeken.”
 
Ik denk ook dat er heel wat deuren niet opengaan omdat Zijn overwinning, verborgen is in een nederlaag. Want zo was het wel, tenminste voor wie niet verder kijkt, voor wie geen geestelijke ogen heeft. Waar loopt het allemaal op uit, iedereen heeft het kunnen zien:  op de dood, Jezus aan het kruis.  En dan daar staat dan weer de massa:  “anderen heeft Hij geholpen, maar zichzelf redden kan Hij niet. Laat nou eens zien dat je de Zoon van God bent en kom van dat kruis af”, dat wordt er geroepen! Het punt is, mensen houden nu eenmaal van macht, heerlijkheid, overwinning, succes.  Die houden helemaal  niet zo van onmacht en
onaanzienlijkheid en nederlaag. Die houden van helden, van krachtpatsers, van mensen die het gemaakt hebben. Als je er met menselijke ogen naar kijkt dan is er bij Jezus zo weinig eer en zo weinig rijkdom en zo weinig succes. Daar hoor je liever niet bij. Daarom heet het “Hij was veracht en van mensen verlaten,. een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja als iemand, voor wie men het gelaat verbergt.”  En terwijl er feest was in de hemel en de engelen juichten over de overwinning die Jezus op de satan had behaald  werd er op aarde zo over Jezus gepraat: “Hij heeft het geprobeerd maar, helaas, het is niets geworden, het is
doodgelopen op het kruis.” Zelfs de discipelen spraken zo en zaten treurend bij elkaar.
 
Ja en zo stierf Jezus. Eenzaam.  Hoewel eenzaam, er stonden wel een paar van zijn volgelingen bij het kruis, hoofdzakelijk vrouwen.  Dat waren degenen die Hem tot in uiterste consequentie trouw zijn gebleven. Daar zie je een Johannes bij staan, de discipel die toen al het meeste van Jezus had begrepen en het meest van zijn verborgen heerlijkheid had gezien. Wie was daar niet, bij het kruis? Een Petrus bijvoorbeeld, de man die zei  “Heer ik zal U nooit verloochenen”, hij was er niet. Waarom niet? Omdat Petrus er minder van had begrepen. Hij had nog het beeld had van een Heer aan wie lijden vreemd was, dat viel in Petrus’ gedachten niet met elkaar te rijmen. “U lijden”, zegt Petrus, “dat kan niet, dat verhoede God”. Waarop Jezus reageert met: “Ga weg achter Mij satan, je bent mij een aanstoot, want je bent niet bedacht op de dingen Gods maar op die der mensen”. Je leest het in Matth. 16:22. En daarmee maakt Jezus precies duidelijk waar het op aankomt: bezie je het vanuit God of vanuit de mensen. Bezie je het met aardse ogen en vanuit het denken van de mens dan is Jezus een mislukkeling; kijk je met geestelijke, verlichte ogen en vanuit Gods gedachtewereld dan zie je een Heer die bewezen heeft de sterkste te zijn en die met eer en heerlijkheid gekroond is.
Tegelijk wordt hier duidelijk waar de gedachte vandaan komt dat het een christen altijd voor de wind zal gaan endat hij niet getroffen zal worden door lijden of tegenspoed. Jezus windt er geen doekjes om: die gedachte komt van de satan. En wie die gedachte gelooft raakt in de knoop met zijn geloof omdat hij het lijden geen plaats kan geven.
 
In de Bijbel zie je dat dat een steeds terugkerend thema is in het leven van Jezus: de kracht die verborgen is in zwakheid. Als een Lam laat Hij zich ter slachting leiden. Het Aramees heeft één en hetzelfde woord voor lam en voor knecht.  De Heer als lam, de Heer als knecht. Hij liet zich slaan, Hij liet zich uiteindelijk vermoorden.  Hij is de knecht van iedereen geworden. “De grootste in mijn Koninkrijk is aller dienaar”, zegt Jezus. Hij heeft bewezen de grootste te zijn door aller dienaar te worden. 
 
Als God onderdak wil vinden bij mensen, dan zal Hij het moeten hebben van degenen die in het verborgene zoeken. Want het Zijne is verborgen, zijn heerlijkheid, en zijn macht en zijn overwinning. Dan moet God het dus hebben van mensen die willen zoeken in wat verborgen is en die zich de moeite willen getroosten om te zoeken wàt verborgen is. Mensen die zich voelen aangetrokken niet tot wat indruk maakt maar tot het onaanzienlijke; die zich voelen aangetrokken niet tot macht maar tot de overmacht van Zijn liefde. Die zit vaak verborgen in hele kleine, onopvallende dingen. Niet in dat spectaculaire, maar in het tedere van een arm om je schouder, iemand dienaar je luistert, iemand die met je meedenkt, iemand die zegt: ik wil de weg die jij gaat weg met je meegaan, want zo is God namelijk.
Dan zal God het moeten hebben van mensen die zich aangetrokken voelen tot de heerlijkheid van zijn eenvoud, tot de majesteit van zijn bescheidenheid; van mensen die kiezen voor de God die zegt: ”Ik hoef mij niet zo nodig te manifesteren met vuur  van de hemel om zo te laten zien dat Ik uiteindelijk toch de baas ben.”.  Wij hebben een Vader in de hemel die ervoor kiest om heel gewoon en bescheiden te zijn, want Hij weet: wie mij echt liefheeft, die zoekt mij wel en die vindt mij wel.  
Dan moet God het hebben van van de mensen die zich aangetrokken voelen tot de overwinning van de minste te zijn. Voor wie met de ogen van mensen kijkt lijkt het zo’n nederlaag om de minste te zijn. Wat is er toch een ellende voortgekomen uit het streven om de meeste te zijn. Want het probleem is, er kan er maar één de meeste zijn, er kan er maar één de hoogste zijn, er kan er maar één de slimste zijn,  maar één de sterkste, maar één die het ’t beste weet.  Ja, maar één. Want aan het topje van de pyramide is er maar plek voor één. Ik denk dat die piramide totaal niet bij God past. Dat denken in meer en minder en wie de meeste is en aan de top zit, is vreemd aan Gods koninkrijk. God denkt in een kring. En in een kring heeft iedereen eenzelfde positie, daar speelt helemaal niet wie de meeste is. Dan is het dus ook niet erg om de minste te zijn. Wie weet wat hij in Gods ogen waard is heeft geen behoefte om meer te zijn dan dat. En waar iedereen wel de minste wil zijn, kun je gewoon in vrede naast elkaar zitten. Dat voorkomt een hoop ellende, ook in relaties. Want reken erop dat de tegenstander altijd bezig is om dat piramide-denken weer naar binnen te brengen,  waardoor mensen gaan zeggen: die ander moet niet denken dat ‘ie meer is dan ik. De piramides staan in Egypte en Gods volk is nu juist uitgeleid uit Egypte, Gods volk is een volk van herders. als het goed is, en herders ziten in een kring.
 
De minste zijn, dat heeft niets te maken met over je heen laat lopen. Je mag rustig zeggen wat waar is en wat niet, wat deugt en wat niet deugt en daar heel helder en duidelijk in zijn.  Als iets onrecht is mag je he ook rustig zo noemen.  De Heer vraagt niet van je om een voetveeg te worden, om over je heen te laten lopen, gelukkig niet.  De minste zijn is een keuze.  Je kunt zelf een keuze maken, door te zeggen: och, ik maak hier geen punt van, of: ik laat mijn trots varen en ik zet de eerste stap naar de ander toe. Of je kiest ervoor om te zeggen: ”Wacht eens, hier is mijn grens en ik accepteer niet dat iemand over mijn grens gaat .  Waar het om gaat is dat je de innerlijke gezindheid hebt die het je mogelijk maakt om de minste te zijn op de momenten dat het wijs is om de minste te zijn..  Dán ben je een vrij mens hoor, dan ben je werkelijk een vrij mens.  
 
Misschien is er ook nog weinig plek voor God, omdat er gewoon geen plaats is, net als in die herberg. Dat God zegt: ”Mag Ik bij je komen wonen?”  en dat als je eerlijk bent je moet zeggen: ”Heer, ik voel me wel heel vereerd, maar helaas er is geen plek. Mijn leven zit al zo vol. Als er een keer eens een plekje over is dan graag natuurlijk”. En het leven is ook  zo vol en druk.  Zo gevuld met prikkels, zo vol met mogelijkheden, zo vol met verplichtingen en verantwoordelijkheden  Ja, dan moet je als mens keuzen maken. Wie dat niet doet raakt overspannnen of depressief. Als je leven veel te vol is moet je opruimen. Je kunt ruimte maken door op te ruimen. En opruimen vraagt kiezen. Dat kan betekenen dat je van een aantal dingen moet zeggen: ”Die dus niet, daar stop ik mee!”. Hoe nuttig en leuk ook. Als je een doel wilt bereiken moet je een een koers uitzetten en je ergens op concentreren, want anders gaat je aandacht en je energie alle richtingen uit en raak je zelf verstrooid.

Van die verloren zoon staat dat hij zijn vermogen verkwistte. Eigenlijk staat er: “hij verstrooide zijn bestaan.” Als je om je heen kijkt in onze samenleving dan zie je dat die er voor een belangrijk deel op gericht is om verstrooiing te bieden. Maar kom je daar verder mee? God zegt: ”Maak nou eens ruimte, doe dingen weg, dan komt er vanzelf weer ruimte en mag Ik dan een beetje van die plaats innemen?”
   
Misschien is er ook zo weinig plaats omdat het beeld van “deze God” er niet in wil. Ik bedoel de God die niet zo almachtig is.  Dat wil er bij veel mensen eigenlijk niet in, want het komt niet overeen met hun godsbeeld, want God is toch  almachtig! Het wil er bij veel mensen niet in dat God aan ongerechtigheid geen einde maakt met geweld, door, bijvoorbeeld zoals bij Sodom en Gomorra, te zeggen: “Nu keren we alles maar om en maken we het met de grond gelijk, want mijn geduld is op.” Zo’n godsbeeld, dat staat haaks op hoe Jezus is, op hoe God is.
 
Kijk eens naar Openbaringen, hoofdstuk 5: aan wie is toebedeeld, om in de toekomst die daar beschreven wordt,, die boekrol te openen, die toekomst te ontwikkelen?  Aan het Lam, staat er.  Johannes huilde omdat niemand waardig was gebleken die boekrol te openen. En een van de oudsten zegt dan: ”Ween niet, zie de leeuw uit de stam van Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen, om de boekrol en haar zeven zegels te openen.”  En ik zag in het midden van de troon en van de vier dieren en te midden der oudsten een lam staan, als geslacht, met zeven horens en zeven ogen.”.  Dat lam, zegt de bijbel,  is  waardig om de boekrol te nemen en haar zegels te openen. 
En als je dan verder leest in Openbaringen, dan gaat het steeds over het Lam, die het boek opent, die de toekomst ontvouwt. Dan zie je dat het het Lam is, die een hele belangrijke rol vervult bij het verslaan van de tegenstander. Dan zie je dat het het Lam is, die al de tranen afdroogt van al die rechtvaardigen, die zo geleden hebben.  Het is steeds het Lam, ofwel de knecht. Dat vond ik heel bijzonder. Het begint met de leeuw van Juda, en dan denk je: ”Daar komt ie dan eindelijk, daar komt de sterke te voorschijn, de kracht en de macht.  Maar die leeuw kom je verder niet meer tegen, het gaat steeds over het Lam.  Het is één en dezelfde persoon, het slaat natuurlijk op Jezus, de leeuw van Juda.  En dat zit óók in Hem en het geeft aan wat Jezus’ houding was ten opzichte van de tegenstander van God en mensen, de duivel. Het duidt op zijn innerlijke geestelijk kracht die maakte dat Hij sterker was en is dan die tegenstander. Over die Leeuw wil ik het nu niet hebben. Blijkbaar wordt Jezus vooral gekarakteriseerd door het Lam, de Heer die knecht is geworden.   En ik moest denken aan
Jesaja, die zegt: ”Er komt ooit een tijd, dat de leeuw bij het Lam zal verkeren.  Los van de vraag of het in de natuur zover zal komen, denk ik: het zal zover komen dat dat in Jezus, maar ook in de mens,  in harmonie is en bij elkaar hoort. Die beide wezenskenmerken, waarbij, denk ik, het Lam het meest typerend is maar tegelijkertijd ook de leeuw erin zit.  Op een goede manier met elkaar in harmonie.
Die leeuw heeft er mee te maken dat je als christen op een gegeven moment zegt: ”We accepteren het niet meer, de onderdrukking door de tegenstander, en we accepteren niet, dat dat wat zwak is vertrapt en vernederd wordt. We weigeren er in te berusten dat er nog langer leugens over God en mensen verteld worden.” Als je alleen maar lam bent, en niet ook iets van de leeuw hebt, dan kom je er ook niet.  Ja beiden zijn nodig maar het lam is leidend, als het goed is.
 
En van het Lam zegt Johannes : ”Die zag ik in het midden van de troon.” Daar hoort Hij. Het zal misschien zo zijn dat de scheiding langs deze lijn gaat lopen, denk ik dan. Want er is in de bijbelsprake van scheiding: tussen de schapen en de bokken.  Schapen zijn de mensen die bereid zijn om deze Jezus te volgen, mensen waarvoor geldt wat in Openbaring 14:4 staat over de vrijgekochten: “Dezen zijn het die het Lam volgen, waar hij ook heen gaat.”
Valt het je ook op dat niet gesproken wordt van het volgen van de leeuw maar van het Lam? God zoekt mensen die bereid zijn het Lam te volgen, de Heer die luister noch aanzien heeft maar in het verborgene de grootste is, vol van heerlijkheid. En ik denk, als je dat wilt, bidt daarom. Want het is niet moeilijk om te zeggen dat je Hem zult volgens, waar Hij ook heengaat. Dat  deed Petrus ook. Het zeggen is niet zo moeilijk, maar waar het op aankomt, is dat wij die gezindheid in ons krijgen die nodig is om dat waar te maken. En dat is het werk van Gods geest in jou.  Als je daarom bidt, vraag je iets naar Gods wil. Dan kan het niet
anders of dat gebed zal verhoord worden.
 
Amen
 
Zullen we bidden?
Heer dank U, dat U niet alleen bent komen vertellen wat waar is, maar dat U het hebt laten zien, dat U het voorgeleefd hebt, dat U zelf die waarheid bent. Wat heerlijk dat U het leven met ons wilt delen, dat U ons leven wilt vernieuwen, heel gewoon en van lieverlee, door samen met elk van ons die weg te gaan en bij ieder van ons te willen wonen en maaltijd met ons te houden. Heer, ik bid dat U ons zo vernieuwt dat wij die gezindheid krijgen die U ook heeft en die het mogelijk maakt om u als lam te volgen, waar u ook heengaat.
Ik bid Heer, waar dat nodig is, dat we ruimte maken, zodat we toekomen aan die stilte waarin U zelf tot ons kunt spreken. Dank U Heer, dat we zo verder met u kunnen gaan op deze weg en dat wij op U gaan lijken zodat het aantrekkelijk wordt  voor anderen, zodat mensen die God niet kennen, aan ons een beetje kunnen zien hoe God werkelijk is en daardoor aangetrokken worden. Heer dat is het enige wat mensen overtuigt.   Zo hebt U het ook gedaan.      
 
Amen

Bent u aangesproken door deze preek? Geef een reactie op: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
Maak de VOX website verder bekend en geef het evangelie van Jezus Christus door!