Monday, June 24, 2019

“He’s got the whole wide world in His hands”

Text Size



Wie bepaalt onze keuze
 

Preek van Jan Fluit over Daniël    

 
 
 
Ik wil graag met u lezen Daniël, hoofdstuk 3 vers 1: ‘Koning Nebukadnezar maakte een gouden beeld, waarvan de hoogte zestig en de breedte zes el bedroeg; hij stelde het op in de vlakte Dura in het gewest Babel. En koning Nebukadnezar liet de stadhouders, de oversten, landvoogden, staatsraden, schatbewaarders, rechters, bewindvoerders, ja alle bestuurders der gewesten bijeenroepen, om de inwijding bij te wonen van het beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht. Toen kwamen de stadhouders, de oversten, de landvoogden, de staatsraden, de schatbewaarders, de rechters, de bewindvoerders, ja alle bestuurders der gewesten bijeen voor de inwijding van het beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht en zij stelden zich op vóór het beeld dat Nebukadnezar had opgericht.
En een heraut riep met luider stem: Aldus wordt u bevolen, gij volken, natiën en talen: zodra gij hoort het geluid van hoorn, fluit, citer, luit, harp, doedelzak en allerlei soort van muziekinstrumenten, zult gij u ter aarde werpen en het gouden beeld aanbidden, dat koning Nebukadnezar heeft opgericht; en ieder die zich niet ter aarde werpt en aanbidt, zal ogenblikkelijk in de brandende vuuroven geworpen worden. Derhalve wierpen alle volken, natiën en talen en tongen zich ter aarde, zodra zij de  muziekinstrumenten hoorden en aanbaden het beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht.’ Derhalve ‘dus’. De logica die daaruit spreekt.
Koning  Nebukadnezar richt een beeld op, een groot beeld… Een enorm beeld van 30 meter hoog, 30 meter hoog! Imponerend hè. Hij richt dat op, hij nodigt alle belangrijke mensen uit. Die komen dus ook, omdat hij dat zegt. Ten slotte is hij koning, dus hij beslist dat ze komen. En hij beslist ook dat ze gaan buigen, neervallen voor dat beeld. Dus….dan doen ze dat.
 
Als ik dan meteen de vertaalslag maak naar ons leven. Hoe zit het met ons ‘dus’?  En welke logica zit er in jouw bestaan als het om het ‘dus’ gaat? Er wordt van je gevraagd, er wordt van je geëist, je wordt onder druk gezet…dus… doe je ‘t. Er zijn zoveel systemen bedacht –laat ik maar niet alle systemen noemen, maar vooral de geestelijke systemen die bedacht zijn, daar wordt ‘dus’ maar wat vaak aan beantwoord. Het is niet anders, het wordt geëist. Er wordt wel eens gezegd: “Er wordt niet gevraagd of je zin hebt. Ik zeg het…dus: je doet het. Jij doet datgene wat naar je toe komt. Omdat iemand die wel een buitengewoon groot beeld heeft gemaakt en dat ook nog iemand is die macht heeft, die heeft het gezegd. Je hebt dus een dubbel probleem: het beeld is imponerend en degene die erachter zit. Was dat lààtste nou maar niet zo, dan viel het nog wel mee. Maar degene die erachter zit heeft zo’n recht hè.
Dan heb je niet veel keuzemogelijkheid meer. Want als je het niet doet, dan ga je eraan, dus doe je het wel. Er ligt zoveel dreiging achter sommige dingen dat je het maar doet. Wil je dat graag? Wie wil dat nou graag?! Wie wil nou graag geleefd worden? Wie wil nou graag een slaaf zijn?
Wie kiest daar nou voor? Toch niemand. Maar heel veel mensen, die worden geleefd en  dat patroon is soms zover doorgegaan dat ze het een beetje ‘geworden’ zijn. Die vallen al bijna voor het beeld voordat het opgericht wordt. Het is je patroon geworden. Het is logisch, het is iets –sterker dan jij- dan doe je dat dus. Dat heeft een hele structuur gekregen. De dingen die we doen, vanuit welke structuur doen we die? Omdat het allemaal toch niks helpt? Wat voor beelden zijn er niet opgericht?
 
Dit verhaal draait helemaal niet om al die oversten en rijksgroten. Het draait maar om drie: Sadrach, Mesach en Abednego. Dààr draait het om. Dat beeld staat erop, dat zij onderuit gaan. De rest die doet het dus toch wel.  Maar die drie, die buigen zich voor een Ander. En daar heeft de boze de grootste moeite mee, dat die buigen voor een Ander. Dus dan moet je wel iets imponerends neerzetten. Het moet wel duidelijk worden, dat als je met machten te maken hebt, dat dat niet zomaar wat is. Dat ze wel heel groot zijn.
Dingen kunnen zo verschrikkelijk  uitvergroot worden in levens van mensen, zo dat hun hele beeld als het ware ook bestaat uit datgene waar ze mee geconfronteerd worden. Dus je zicht op God is vervuild, dat mooie uitzicht op Hem, dat ben je kwijt. In jouw beeld kan iets staan wat zo allesomvattend is dat je al het andere helemaal niet meer ziet. Daar kan een ander over spreken, maar jij bent gebiologeerd en gedicteerd door dat beeld dat opgericht is, met alle dreiging daarachter. Want, ja, je kan wel makkelijk praten, maar daar staat toevallig wel een beeld. Daar staat wel het beeld, van het feit dat je een nietsnut bent; daar staat wel een beeld dat jou nog nooit dingen gelukt zijn; daar staat wel het beeld van je weten dat er machten zijn, maar tegelijkertijd de erkenning dat die machten buitengewoon groot zijn. Dat staat er wel! En het dreigement er ook bij, dat je er wel aan te gehoorzamen hebt. Dus, je moet toch wel. Derhalve ga je steeds onderuit, is het elke keer weer succesvol wat zo’n verkeerde koning bedenkt. Met óók weer alle gevolgen vandien. Want als je één keer in de verkeerde ‘dus-cyclus’ zit, dan ga je op dat patroon door. Daarom heeft de boze zo graag van die hele duidelijke vaste patronen, waar je steeds maar weer aan herinnerd moet worden. Bijvoorbeeld: altijd langs zijn grootheid. Er steeds op geattendeerd worden dat je de verliezende partij bent. Of je herinnering over iets vanuit het verleden, het heeft altijd geregeerd, dus daar kom ik maar niet zo makkelijk af, het zal ‘dus’ wel zwaar worden. Nou, dat wordt dan ook weer een nieuw beeld hè: het zal zwaar worden, het zal moeilijk zijn. Het is bijna, bijna allemaal onmogelijk, de weg die we gaan. Voortbordurend op datgene wat zich al lang en lang bewezen heeft. Dat is dan vaak ook het lastige. Ook als je ervan af wilt en daar uit wilt, dat daar zoveel tegenbewijs is.
 
In je denken kunnen zaken op die manier op slot zitten. Dat je denkt: “ Daar loopt het elke keer spaak.” Maar voordat je het weet, ga je daarvoor knielen, voor die gedachte: dat het dààr altijd spaak loopt. Soms zeggen mensen: “Dat is mijn zwakke punt”, punt. In plaats dat ze daar een komma zetten. Dat is dan wel mijn zwakke punt, maar dat blijft niet mijn zwakke punt. Ik ga verder, ik ga er niet voor knielen, voor datgene waar ik al een keer voor gevallen ben. Dat mag dan waar zijn, maar dat is niet meer mijn uitgangspunt. Ik heb andere uitgangspunten. Ik heb een God die leeft. En er kan wel van alles opgericht worden, met het uiteindelijke doel dat ik onderuitga, maar ik kies ervoor om niet onderuit te gaan. Om wélbewust uit de dingen te stappen waar je àltijd van gezegd heb: “Dus, ik kan niet verder. Dus ik zit vast. Dus m’n voorgeslachten, m’n kinderen, m’n situatie, m’n … Dus ik kan niet verder.” Dat je zegt: “Die feiten liggen er vaak wel. Maar ik bind er niet meer de conclusie aan vast, dat ik daarom niet verder kan. Of dat ik daarom zal moeten buigen; of dat ik daarom dus een slaaf moet worden.” Ik ben een slaaf geweest en het bevalt me buitengewoon goed om het niet meer te zijn en ik wil het nooit meer worden. Sterker: ik zàl het nooit meer worden. En dat is geen grootspraak, maar dat is omdat de Heer gezegd heeft: “Ik waak  over jou”, ja. Want dat is de kern daarvan. Dat is geen flinkdoenerij van jezelf. Dat is een verwijzing naar Iemand die gezegd heeft, dat Hij dag en nacht over je waakt en dat Hij in de benauwdheid bij je zal zijn en dat Hij je uitredt en dat Hij je tot ere brengt. Dat is een verwijzing naar Jezus en naar Vader, waarvan ik alle jaren dat ik Hem nu ken, echt ken, nog nooit iets teleurstellends tegengekomen ben. Hij blijft betrouwbaar. Hij is een Man van Zijn woord, waar ik elke keer mezelf terugvind. Ja, dat is spreken waar ik me helemaal bij thuisvoel, waar ik helemaal mezelf kan zijn, waar ik helemaal tot rust kom, waar ik boven dingen sta. Dan mag de ander beelden bouwen wat hij wil, dat is toevallig de ander zijn beeld. Het is de ander zijn beeld, het is de ander zijn besluit en niet de mijne. Dertig el, zestig el, honderd el, wat maakt het uit. Ik denk dat het belangrijk is om niet mee te gaan in de metrage van de tegenstander. Het valt me op dat in de Bijbel heel wat verhalen staan –als het over de negatieve gaat, over dat grote hè; ik denk aan Goliath – heb je ooit van David één stukje informatie gekregen over de grootte van Goliath? Hij zegt er helemaal niks over. Hij heeft het over de grootte van zijn God en niet over de grootte van Goliath. Daar heeft de rest het over.
 
 Hier zijn drie mannen, ik heb ze al genoemd: Sadrach, Mesach en Abednego. Die gaan niet vallen als dat muziekkorps speelt. Nou, dan val je wel op, heb ik bedacht. Als iedereen ligt en jij staat daar nog parmantig recht overeind. Dat stel ik me ook voor. Ik denk dat ze nog rechter gestaan hebben dan anders. We staan! Niet: “Laten we ons maar klein maken, dan valt het niet zo op.” Ze stonden! Nou het is ook opgevallen. En wat dan zo vervelend is, dat je dan altijd van die figuren hebt die dat dan moeten gaan vertellen. Soms dan denk je: “Waarom moeten dingen soms zo breed uitgemeten worden als iemand een bepaalde keuze maakt die wat afwijkt van die van een ander? Waarom moet dat dan zo belachelijk gemaakt worden, waarom zo onderuitgehaald? Denk over dat ‘waarom’ trouwens maar niet te lang na, want anders kan dat ook wel weer eens een beeld worden, waar je alsnog voor gaat buigen hè.Zo van: “Ik wil niet buigen, ik wil beslist niet buigen, maar dan moeten er natuurlijk geen mensen zijn die mij onder druk gaan zetten of die me te kijk zetten, die me belachelijk maken”. Want dan ga ik dus wel buigen. Haal dat uit je gedachten: “Ik ben geen slaaf, mits…..”  En dat kan je voor jezelf invullen hè? Als dit niet gebeurt, dat niet gebeurt, dat niet gezegd wordt; als ik dat maar niet te zien krijg, dan loopt het misschien wel goed. Waarom die voorwaarden? Heeft God dat gezegd? Nooit, Hij heeft dat niet gezegd.
In vers 9 daar komen dan die Chaldeeuwse mannen, die gaan naar Nebukadnezar: “O koning, leef in eeuwigheid!”  Er zijn drie mensen die, toen het muziekkorps begon te spelen, helemaal niet zijn gaan buigen. Ze    hebben zich niet ter aarde geworpen. En u had toch wel duidelijk gezegd, dat als ze dat niet deden, dan gingen ze in de brandende vuuroven.” Onmiddellijk die dreiging erbovenop. Indrukwekkende praat waar je soms zo slachtoffer van kan worden. Want dan kom je heel erg in de sfeer terecht: “Ik weet niet of ik dat wel redden kan.” Als je dat al ter discussie stelt, want een vurige oven, daar kan je niet tegen. “Ze hebben zich niet aan u gestoord koning”, staat in vers 12. En wat voor gebrek hebben ze verder? “Uw goden vereren ze niet en het gouden beeld dat gij hebt opgericht aanbidden ze niet. –kun je nog slechtere mensen treffen?- U bent toch zo’n grote koning, leve in eeuwigheid. En ze doen het gewoon niet! U bent zo’n vorst, u hebt het altijd zo voor het zeggen gehad. En nu zijn er hier drie, die hebben een andere God.”
 
Dat is het knelpunt: ze hebben een andere God. Ze hebben geen weet van die God, die ze hebben. Maar het is zo kwalijk dat je hun god niet navolgt. Nou, wat speelt dat hè? Wat heb ik wel eens tot mijn verbazing gezien dat je een bepaalde gedachte die je rijk geworden bent en die je in een bepaalde omstandigheid noemt, zoveel negatieve reacties losmaakt. Je hebt gewoon gezegd wat je gelooft. En het valt me steeds vaker op dat de tolerantie tegenwoordig heel hoog zit ten aanzien van alles, maar….de Heer helemaal volgen en dat als normaal leven zien en daarin staan... Maar dàt is niet getolereerd, kom nou! We kunnen een hoop tollereren, maar niet dat je het evangelie van het koninkrijk der hemelen volgt, dat is er niet bij. Dat is zo raar.
 
En wat doet Nebukadnezar ? Hij gebiedt in toorn en grimmigheid Sadrach, Mesach en Abednego. Die moeten gehaald worden. Dan worden ze voor de koning gebracht en dat stukje is op z’n minst interessant om te lezen. Hij neemt het woord en dan zegt ‘ie: “Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abednego, dat gij mijn goden niet vereert en het gouden beeld dat ik heb opgericht niet wilt aanbidden?”
Moet je je voorstellen dat ze zeggen: “Nee, het is per ongeluk”. Is het met opzet? Ja natuurlijk is het met opzet! O, we zijn per ongeluk blijven staan. Iedereen lag…..Is het met opzet? Van die absurde, overbodige vragen, die je tijd willen vullen. “Nu dan, indien gij bereid zijt, zodra gij het geluid van alle muziekinstrumenten hoort, u ter aarde te werpen en het beeld te aanbidden , dat ik gemaakt heb…-dreigende stilte-  maar indien gij niet aanbidt, zult gij ogenblikkelijk in de brandende vuuroven geworpen worden en wie is de god die u uit mijn hand zou kunnen bevrijden?’ Ja, wat antwoord je daar nou op? Want nu gaat het er niet meer om dat je samen met iedereen valt. Je zou ook kunnen zeggen: “Wat is er nou zo erg? Is het nou zo erg om mee te vallen? Dan val ik zonder dat ik aanbid.” Ze kiezen ervoor om het niet te doen, want het is wel erg. Je buigt wel en je voldoet wèl aan dat systeem. En wat moet je antwoorden? Ze antwoorden, en dat is één van de mooiste antwoorden in de Bijbel, : “We achten het niet nodig u hierop enig antwoord te geven.” Sta je tegenover zo’n vorst met zo’n dreiging. En tegelijkertijd is dat ook het beste antwoord wat je geven kan. Er is denk ik vaak veel te veel antwoord gegeven aan de tegenstander.
 
Maar zij zeggen: “Wij vinden dat niet nodig om hier antwoord op te geven. Jij hebt dat plan bedacht, jij hebt dat beeld opgericht, je hebt besloten dat wij moesten vallen voor jouw god en voor jouw beeld. Dat doen we niet. Indien onze God, die wij vereren in staat is ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven en uit uw macht, o koning, bevrijden.” Dat is ook wel een goeie. Ze zeggen niet: “We weten zeker dat het goed afloopt in die oven.”  Als God het kan, dan doet Hij het. Als God dat vermogen heeft om ons door die oven heen te loodsen, dan doet ‘ie het. “Maar zelfs indien niet – het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden.”  ‘het zij u bekend’. We hebben een keus gemaakt. We staan ergens voor, dus we staan.
Zij hadden een ander ‘dus’. En dat ‘dus’ dat werd op geen enkele manier bepaald, nog beïnvloed door datgene wat dreigend naar hen toekwam. Dat speelde geen enkele rol. Het werd niet tot hun onderwerp. “Het zij u bekend, wij vereren een andere God, dus jouw goden niet.” Dat is óns ‘dus’. Het ‘dus’ van al die andere mensen, die wel vielen, daar veroordeelden ze die andere mensen niet om, maar dat is niet iets waar zij in meegaan. Dus ondanks deze dreigende taal, we doen het niet. Als God ons kan redden, dan doet Hij het. Als Hij het niet kan, dan gebeurt dat redden niet. Maar dat betekent niet voor ons de stap: dan maar niet. Ook dat is volgens mij belangrijk. Want je kunt het uitstippelen hoe het zou moeten gaan. Ja en anders dan weet je het ook niet meer. Dan is God ook niet meer betrouwbaar. Want dan wordt er over het wezen van God gelogen, dan gaan daar mooie dingen vanaf. Dan wordt er aan Zijn woord en aan Zijn waarheid getwijfeld. En daarmee ben je alweer bezig onderuit te gaan. Wat en wie geloof je en wat is daarbij doorslaggevend? Wat was bij hun doorslaggevend? Dat de oven misschien niet zo heet was? Of dat die oven misschien wel spontaan zou blussen; al dat soort voorwaarden. Nee, er was maar één voorwaarde bij hen: zij dienden hun God. Dat deden ze al jaren en dat werd niet anders doordat iemand zei, dat ze het anders moesten doen.  Kan het wezenlijk van je afgehaald worden?
Dan wordt Nebukadnezar vervuld met gramschap. Kwader kun je volgens mij ook niet worden dan. Hij was al vervuld met toorn, met grimmigheid, met gramschap…die overtreffende trap van kwaad. Hij werd kwader en kwader en kwader. Zo boos en de machten zijn verbolgen en ze willen niet dat we verder gaan…Nee, dat is ook wel zo. Nogmaals: maak er nou niet een te groot ónderwerp van! Dat deden deze mannen ook niet. ‘Zijn gelaatsuitdrukking veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abednego; hij antwoordde en gebood dat men de oven zevenmaal heter zou stoken dan gewoonlijk’. Maar maakt het uit of je in een oven valt van 1000 graden of van 7000 graden? Het maakt niks uit, alleen…het lijkt alleen zoveel dreigender. O, nou moet ik in een oven die zeven keer heter is. Het wordt allemaal nog véél erger. Ik heb profetieën gehoord over de eindtijd hoe vreselijk het allemaal wel niet worden zal. Hoe zwaar, hoe moeilijk en wat de boze allemaal van plan is. En wie vertelt dat? Ja, mensen, die Jezus eigenlijk willen vertegenwoordigen. Maar dan zijn ze breeduit  aan het meten wat voor een ellendige tijd we ingaan, waarin we het misschien nauwelijks kunnen redden. Zelfs de Bijbel is daarin in onze vertaling verkeerd vertaald. In 1 Petrus 4 vers 18  ‘Dat de rechtvaardigen ter nauwer nood behouden zullen worden.’ Het staat er andersom hoor. Dat wij, rechtvaardigen, er voor zorgen dat mensen die ter nauwer nood gered zouden worden, dat die er doorheen komen. Dus, wij komen niet in die klem. De tijd van verdrukking, die wordt verkort als wij ons laten leiden door de Geest van God die eeuwig is. Waar wij bepalend zijn als we uitleven wat Vader zegt. Wat dat betreft past het verhaal er precies bij. Want, hoe moeilijk gaat het nou worden? Want dat lijkt toch wel een nare ervaring.
Maar kijk maar eens naar Sadrach, Mesach en Abednego, Wat een belevenis! Ze worden in de oven gegooid. Degenen die hen erin gooien, die gaan door de vlammen ten onder. Denk nou even niet aan mensen, denk aan machten. Die gaan zelf te gronde aan hun eigen ellende. En wie schrikt er dan? Dat is Nebukadnezar. ‘Ze vallen de brandende oven binnen’ staat er in vers 23 en vers 24: ‘Toen schrok koning Nebukadnezar en stond ijlings op; hij nam het woord en zeide tot zijn raadsheren: Hebben wij niet drie mannen gebonden in het vuur geworpen? Zij antwoordden de koning: Zeker, o koning. Hij zeide: Zie, ik zie vier mannen vrij wandelen midden in het vuur, en zij hebben geen letsel en het uiterlijk van de vierde gelijkt op dat van een zoon der goden!’
En het mooiste vind ik zoals het er staat: ‘Ik zie ze vrij wandelen in de oven’. Ze waren gebonden en ze waren vrij aan het wandelen. Want wat verbrandde er? Het touw. Dus datgene wat hun moest binden, dat werd ‘dus’ verbrand. In het gebed van Azarja (= Abednego) staat: “De vlammen laaiden negenenveertig el boven de oven uit, maar in de oven was een klimaat van een frisse ochtendkoelte” !! Dat is nou God’s logica!!
 
Want, wat ik vanmorgen vooral duidelijk wil zeggen, dat ons ‘dus’ verandert. De logica van “We hebben dus een tegenstander, waardoor het dus élke keer weer mis gaat, élke keer weer fout en we bidden en we hopen dat het beter gaat. En élke keer is er dus weer een tegenstander en die wint het.” Dat het overgaat in: “We hebben dus een God”. En dan kan er een tegenstander zijn, die heeft daarbij in verhouding niets in te brengen. We hebben dus een God die met ons mee is. En dan in een oven? Daar wandelen wij vrij rond. Zij waren de gebonden mensen, maar ze waren de enige vrije. Zij wandelden vrij rond, zij maakten keuzes voor en in die oven.
Maar zij, ze komen eruit, geen brandlucht, niks. Al datgene wat je aangedaan wordt, daar was niets van aanwezig! Dat is de lógica van Gods Koninkrijk, dat je dus niet verbrandt. Die belofte stond al in het Oude Testament. Als je door water gaat, zul je niet verzwelgen, vuur zal je niet verteren, vlam zal je niet branden, omdat je een God met je hebt. Ik denk dat leven met Geest van God, met Zijn logica, met Zijn liefde, met Zijn waarheid, over jou; als dat de basis wordt van je bestaan, dan moet je eens kijken wat een vrijheid je krijgt!
 “Je hebt wel spannende momenten gehad?” “Ja, ja.”  Maar het boeit mij, dat er in het Oude Testament al en ook in het Nieuwe Testament en ook nu, dat er mensen zijn bij wie nare dingen gebeuren, die ervoor kiezen om dat niet tot hoofdonderwerp te maken. In elk geval niet in de concluderende zin. Er gebeuren wel dingen. Maar ze denken en ze geloven en ze hopen ànders. Ze hebben een andere richting. Ze putten moed vanuit de woorden die God tot hun spreekt. Dat vind ik heerlijk! Dat vind ik heerlijk leven, vind ik prachtig om zo, ook samen als gemeente, verder te gaan. Met dàt als basis. Dat geloof wat God in je heeft. Meet maar niet meer op, alles wat tégen je is, meet nou eens alles wat Ik voor jou in petto heb. Meet nou eens de stad Gods op. Meet de heerlijkheid daarvan eens. En als het over de toekomst gaat: geen onheilsprofetie, maar profetie. Spreek de woorden die jij van de Heer gehoord hebt en geef die door. Laat dat de ruimte. Dat doet mensen goed. Ja, daar word je levend van. Daar gaan we mee verder hè.   Amen.   
 
 
Vader, bedankt dat U ervoor kiest om in de benauwdheid bij ons te zijn.
Dank U wel dat U ons leert om andere conclusies te trekken; dat we gerust zwak mogen zijn omdat U voor ons zorgt.
Vader wij willen onze vrijheid niet laten beknotten door alles wat tegen is, maar we willen middenin de vuurgloed van beproeving wandelen in de vrijheid en het klimaat dat U geeft.
Ik zegen ook de mensen die naar deze gedachten geluisterd hebben, met warmte, ontferming en aanwezigheid van Uzelf.
 
Amen.